Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
07-7121 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. De Raad wijst naar zijn uitspraak van 10 juli 2008, LJN BD8561, dat er geen gronden naar voren zijn gebracht die meebrengen dat het in de uitspraak neergelegde oordeel geen stand kan houden. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de toepassing van het Schattingsbesluit voor appellante leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de Raad niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7121 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 november 2007, 05/1543 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellante is, in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1978, is op 19 oktober 1998 uitgevallen voor haar werkzaamheden in dienst van een uitzendbureau in verband met spier- en gewrichtsklachten en psychische klachten. Aan haar is per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% op de grond dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Geconstateerd werd dat er sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Bij een herbeoordeling in 2003 is dat oordeel bevestigd.

1.2. In november 2004 heeft een nieuwe beoordeling plaatsgevonden aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangescherpte Schattingsbesluit. Blijkens een rapportage van de verzekeringsarts S. Ytsma van 10 november 2004 is door hem geen (uitgebreid) lichamelijk onderzoek verricht, aangezien de psychische problematiek de boventoon voert. Ytsma stelt als diagnose een somatoforme pijnstoornis. De claimklacht dat appellante niet tot enige vorm van arbeid in staat zou zijn, is volgens Ytsma niet in overeenstemming met de informatie verkregen uit de anamnese en het dagverhaal. Er is sprake van een functioneren als moeder en huisvrouw, waarbij appellante alle drie sociale rollen op persoonlijk en sociaal niveau kan invullen. Door Ytsma wordt een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige K. van Dijk-van Beek heeft, blijkens een rapportage van 7 december 2004, aan de hand van de FML een aantal voor appellante passende functies geselecteerd. Op basis van een maatmaninkomen van € 9,52 en resterende verdiencapaciteit van € 10,62, concludeert hij tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0. Bij brief van 9 december 2004 is de uitkomst van het onderzoek aan appellante medegedeeld, waarna bij besluit van 10 december 2004 de WAO-uitkering per 10 februari 2005 is ingetrokken.

2.1. In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat en dat zij, gezien haar beperkingen, de geselecteerde functies niet kan vervullen. Overgelegd is een verklaring van de huisarts en een rapportage van het Algemeen Maatschappelijk Werk te [vestigingsplaats]. De huisarts geeft aan dat hij de indruk heeft dat de forse lichamelijke beperkingen van appellante bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende aan de orde zijn geweest. Uit de verklaring van het Algemeen Maatschappelijk Werk komt naar voren dat appellante op dat moment functioneert in de bescherming van haar gezin dankzij een uiterste inspanning en met geregelde ondersteuning van hulpverlenende instanties. Centraal staat het zoeken en vinden van een evenwicht tussen belasting en belastbaarheid. Opgemerkt wordt dat appellante, gezien haar persoonlijke situatie, binnen korte tijd in een normale werksituatie zal vastlopen. Het wordt ondenkbaar geacht dat appellante een baan zal kunnen combineren met haar gezinsverantwoordelijkheid.

2.2. Op 8 februari 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Daarbij aanwezig was de bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings. Geerlings heeft appellante na de hoorzitting lichamelijk onderzocht. Geerlings concludeert, op basis van de anamnese, dat de standaard ‘Geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ niet aan de orde is. Uit het lichamelijk onderzoek van appellante concludeert hij tot beperkingen ten aanzien van nek, schouders en rug. Daarnaast is er sprake van gespannen spieren en een positieve schuiflade van de rechterknie. Volgens Geerlings is de opgestelde FML een adequate weergave van de door hem geconstateerde beperkingen. Met betrekking tot de psychische klachten wordt opgemerkt dat appellante duidelijk een verminderde draaglast heeft. De door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen op dat terrein worden adequaat bevonden. Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2005, hierna: bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep is namens appellante een nieuwe verklaring overgelegd van de huisarts van appellante. Volgens deze is er bij appellante sprake van een energietekort. Haar beschikbare energie gaat op aan het dagelijks leven en aan de zorg voor haar gezin. Er is niets meer over voor een baan. Verder is namens appellante overgelegd een ‘verslag indicatieonderzoek’ van de Riagg gedateerd 15 november 2005. De psychiater M. Vink concludeert, na onderzoek van appellante, tot een aanpassingsstoornis met depressieve stemming in combinatie met PTSS-kenmerken. De GAF-score wordt door hem bepaald op 50-60.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts A. Laros constateert, blijkens een rapportage van 16 januari 2007, dat hij in medisch opzicht geen nieuwe feiten kan ontlenen aan het rapport van Vink. In dit verslag wordt dan ook geen grond gevonden om de vastgestelde FML te herzien.

3.3. Namens het Uwv is een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse van 2 maart 2007, in het geding gebracht waarin de passendheid van de geselecteerde functies, in het licht van de door de Raad daaraan gestelde eisen, uitvoerig wordt gemotiveerd. Alle geselecteerde functies blijven onveranderd geschikt.

3.4. De rechtbank heeft de psychiater G.T. Gerssen verzocht om haar van verslag en advies te dienen. Uit diens rapportage van 18 mei 2007 blijkt dat op de datum in geding bij appellante sprake was van beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren. Gerssen acht appellante beperkt in het handelingstempo. Zij is aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige deadlines. Er is sprake van een beperking in het omgaan met conflicten. Als diagnose stelt Gerssen een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Gerssen geeft aan dat hij kan instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid conform de FML. Hij merkt hierbij op dat er beperkingen zijn aangegeven op het psychische vlak en dat ook rekening is gehouden met psychosociaal belastende factoren. Tenslotte geeft Gerssen aan dat appellante op de datum in geding met de door hem vastgestelde beperkingen in staat was de aan de schatting ten gronde gelegde functies te vervullen. Gerssen geeft de rechtbank in overweging ten aanzien van de somatische problematiek appellante te laten onderzoeken door een reumatoloog.

3.5. De bezwaarverzekeringsarts A. Laros concludeert in een rapportage van 1 augustus 2007, dat de bevindingen van de deskundige overeenkomen met die van de Riagg-psychiater Vink. Er is bij appellante sprake van een aanpassingsstoornis en psychosociale problematiek. Het rapport van de deskundige stemt overeen met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Er is dan ook geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

3.6. Namens appellante is, in reactie op het rapport van de deskundige, onder meer naar voren gebracht dat de door de deskundige specifiek benoemde beperking in het handelingstempo niet is vermeld in de FML Verder wordt, conform het advies van de deskundige, verzocht om benoeming van een reumatoloog als deskundige.

3.7. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van haar arbeidsvermogen op de in geding zijnde datum niet onjuist heeft vastgesteld. Zij heeft zich daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het door de deskundige Gerssen uitgebrachte rapport. Het verzoek om benoeming van een reumatoloog als deskundige heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd op de grond dat eerst in beroep een toereikende motivering is gegeven voor de in de functies optredende overschrijdingen en niet-matchende beoordelingspunten. Nu dit gebrek in beroep is hersteld, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

4.1 In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de medische grondslag voor de bestreden beslissing onvoldoende is. Verzocht wordt om een deskundige te benoemen, in het bijzonder voor het doen van onderzoek naar de lichamelijke klachten van appellante. Als grond is verder naar voren gebracht dat de arbeidskundige beoordeling niet voldoet aan de in de rechtspraak van de Raad ter zake neergelegde vereisten. Tot slot is als grond aangevoerd dat de aanpassing van het Schattingsbesluit strijd oplevert met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en om die reden voor appellante buiten toepassing moet blijven, voor zover aan appellante ten gevolge van die aanpassing het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontzegd.

4.2. In verweer is door het Uwv opgemerkt dat de stelling dat de medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld, door appellante niet is onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Met betrekking tot de gestelde gebrekkige arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit wordt opgemerkt dat dit gebrek in de beroepsfase middels de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 maart 2007 is hersteld. Tenslotte wordt gemotiveerd de stelling bestreden dat de wijziging van het Schattingsbesluit in het onderhavige geval leidt tot strijd met het bepaalde in artikel 1 van het EP bij het EVRM.

4.3. Namens appellante is een rapportage in het geding gebracht van de psycholoog D. van Til. Van Til concludeert dat bij appellante sprake is van een zwakbegaafd intelligentieniveau en hij vermoedt dat er bij haar op gedragsniveau sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Van Til stelt een kwetsbaarheid voor psychotische compensatie bij het oplopen van stress en spanningen vast. In combinatie met een zwakbegaafd intelligentieniveau zou gesproken kunnen worden van een beperkte draagkracht bij een snel als te hoog ervaren draaglast.

4.4. De bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter merkt naar aanleiding van het onderzoek van Van Til op dat, mede gezien de rapportage van Gerssen, die de intelligentie van appellante beoordeelt als gemiddeld, er hooguit sprake zou kunnen zijn van een lichte zwakbegaafdheid. Daarnaast wordt opgemerkt dat Van Til geen borderline persoonlijkheidsstoornis heeft vastgesteld, maar spreekt over een vermoeden. Geconcludeerd wordt dat het psychologisch onderzoek van Van Til geen afbreuk doet aan de medische grondslag van het bestreden besluit.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

5.3. De Raad zal eerst ingaan op de vraag of, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Ten aanzien van dit punt stelt de Raad vast dat, voor zover het gaat om de psychische beperkingen van appellante, er een rapportage voorligt van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Gerssen. Gerssen heeft appellante zelf onderzocht en informatie ingewonnen bij de behandelende sector. Gerssen geeft aan dat hij kan instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid conform de FML. Hij merkt hierbij op dat er beperkingen zijn aangegeven op het psychische vlak en dat ook rekening is gehouden met psychosociaal belastende factoren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen gronden zijn om het oordeel van deze onafhankelijke deskundige niet te volgen. De Raad wijst er daarbij op dat de beoordeling van Gerssen in grote mate overeenstemt met die van de Riagg-psychiater Vink. De door appellante in hoger beroep ingebrachte rapportage van de psycholoog Van Til heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Die rapportage doet immers niet af aan de door Gerssen en Vink gestelde psychiatrische diagnose en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Ten aanzien van de beperkingen op somatisch gebied is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv die beperkingen op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. Zijdens appellante zijn geen medische gegevens in het geding gebracht die de Raad aan die vaststelling hebben doen twijfelen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het verzoek van appellante tot benoeming van een deskundige voor het doen van onderzoek naar de beperkingen van appellante op somatisch gebied in te willigen.

5.4. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit merkt de Raad op dat hij zich niet vinden in de door appellante (ook) in hoger beroep naar voren gebrachte grond dat de arbeidskundige beoordeling niet voldoet aan de in de rechtspraak van de Raad ter zake neergelegde vereisten. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat dit gebrek aan het bestreden besluit middels de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Willemse van 2 maart 2007 is hersteld. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in zoverre dan ook terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

5.5. Ook de voor het eerst in hoger beroep naar voren gebrachte grond dat het aangescherpte Schattingsbesluit in strijd komt met artikel 1 van het EP bij het EVRM slaagt niet. De Raad wijst in dat verband naar zijn uitspraak van 10 juli 2008, LJN BD8561. Naar het oordeel van de Raad zijn door en namens appellante geen gronden naar voren gebracht die meebrengen dat het in die uitspraak neergelegde oordeel geen stand kan houden. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de toepassing van het Schattingsbesluit in het onderhavige geval voor appellante leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de Raad niet gebleken.

5.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H.J. de Mooij en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) B.E. Giesen.

NK