Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
07-6017 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Wijziging van het Schattingsbesluit leidt niet tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. De belasting in de functie van portier, toezichthouder gaat de in de FML neergelegde mogelijkheden van appellant te boven gaat, aangezien afhankelijk van het rooster, soms de gehele dag in de kassa wordt gezeten, zodat niet wordt voldaan aan de in de FML vastgestelde beperking ten aanzien van het zitten. Aangezien slechts 2 functies resteren, wordt besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6017 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2007, 06/5857 en 07/3175 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [datum] 1957, is op 21 februari 1994 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als kraanmachinist. Bij besluit van 20 februari 1995 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv aan appellant met ingang van dezelfde dag onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een herbeoordeling op grond van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit (hierna: aSB) heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 mei 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 12 oktober 2006 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van

20 maart 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Hangende het tegen het besluit van 12 oktober 2006 bij de rechtbank ingestelde beroep heeft het Uwv op 26 juli 2007 een nieuw besluit (hierna: bestreden besluit) genomen. Daarbij is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 mei 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

12 oktober 2006 niet-ontvankelijk, en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig vastgestelde belastbaarheid van appellant per 21 mei 2006. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de voor de schatting als voor appellant passend geachte arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het maatmanloon van appellant door het Uwv op juiste wijze is berekend en dat het Uwv op basis van het aSB mocht overgaan tot een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep tegen de herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid grotendeels herhaald.

3.2. Als meest verstrekkende grond heeft hij naar voren gebracht dat als gevolg van de wijziging van artikel 12a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2007, 324), welke wijziging terugwerkt tot 22 februari 2007, een ongeoorloofd onderscheid in behandeling is ontstaan in de groep van verzekerden waartoe hij behoort te weten de groep van 45 tot 50-jarigen. Appellant voert daartoe aan dat op de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de verzekerden die in die groep op of na 22 februari 2007 zijn beoordeeld het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van toepassing is gebleven, zoals dat besluit luidde voor 1 oktober 2004. De toepassing van dat Schattingsbesluit acht appellant gunstiger voor hem dan de toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit. De arbeidsongeschiktheid van de 45 tot 50-jarigen die voor 22 februari 2007 is beoordeeld, tot welke groep appellant behoort, is vastgesteld met toepassing van het laatstbedoelde Schattingsbesluit.

4.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat bedoelde wijziging van het Schattingsbesluit leidt tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling. Ter motivering van dit oordeel verwijst de Raad kortheidshalve naar zijn uitspraak van 22 april 2009, LJN BH0312.

4.2. Met betrekking tot de vraag of overigens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 21 mei 2006 terecht is vastgesteld op een mate van 45 tot 55% overweegt dat Raad dat hij evenmin als de rechtbank redenen heeft om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellant bestaande medische beperkingen en zijn belastbaarheid voor arbeid per 21 mei 2006.

4.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

4.3.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de - in zijn visie: onjuiste - vaststelling van het maatmanloon ziet de Raad onvoldoende grond om te komen tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Raad kan zich verenigen met hetgeen daaromtrent door het Uwv in het verweerschrift gestelde.

4.3.2. Voorts deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Z. Eggink van 15 januari 2007 voldoende is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wikkelaar, samensteller elektronische apparaten (sbc-code 267050) en parkeercontroleur (sbc-code 342022) wat betreft belasting in medisch opzicht voor appellant passend zijn te achten.

4.3.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over de passendheid van de functie portier, toezichthouder (sbc-code 342021) echter niet. De Raad stelt vast dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 januari 2006 de mogelijkheid van appellant tot zitten, zitten tijdens het werk, staan en staan tijdens het werk beperkt is. Zitten is beperkt tot ongeveer een half uur achtereen (maaltijd), zitten tijdens het werk: tot zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren), staan: tot ongeveer een kwartier achtereen (afwassen), staan tijdens het werk: tot zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren). Ten slotte is afwisseling van houding vereist: zitten moet worden afgewisseld met staan/lopen en andersom. De Raad stelt verder vast dat in de onderhavige functie portier, toezichthouder de zitbelasting als volgt is beschreven: “Dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 2 uren: tijdens 8 werkuren 3 maal ongeveer 5 minuten achtereen (Zitten in een zaal). Niet dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 8 uren: tijdens 8 werkuren 2 maal ongeveer 30 minuten achtereen (Soms een hele dag zitten in de kassa afhankelijk van het rooster)”. Verder is in het Resultaat functiebelasting vastgelegd dat dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 4 uren: tijdens 8 werkuren

2 maal ongeveer 15 minuten achtereen wordt gestaan (staan afgewisseld door zitten of lopen in een zaal). Voorts dient er dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 2 uren: tijdens 8 werkuren 5 maal ongeveer 3 minuten achtereen te worden gelopen (lopen door de diverse zalen).

4.3.4. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 15 januari 2007 gesteld dat uit de functieomschrijvingen van de geduide functies blijkt dat lopen en staan dagelijks voorkomt, naast het zitten, en dat er voldoende afwisseling is tussen zitten, staan en lopen en mogelijkheid tot vertreden. Hij heeft daaraan toegevoegd dat appellant gedeeltelijk ook zelf de afwisseling kan bepalen met lopen of toiletgang. Specifiek over de functie portier, toezichthouder heeft hij nog opgemerkt dat zitten mogelijk is tot ongeveer een half uur aaneen gedurende de helft van de werkdag. Gezien de mogelijkheid tot tussentijds vertreden is het zitten toegankelijk, aldus de bezwaararbeidsdeskundige.

4.3.5. De Raad kan de bezwaararbeidsdeskundige op dit punt niet volgen. Waar uit het Resultaat functiebelasting naar voren komt dat, afhankelijk van het rooster, soms de gehele dag in de kassa wordt gezeten, ziet de Raad niet dat wordt voldaan aan de in de FML vastgestelde beperking ten aanzien van het zitten (“kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag zitten (ongeveer 4 uren)” en de noodzakelijk geachte afwisseling tussen zitten, staan en lopen en andersom.

4.3.6. De Raad concludeert dat de belasting in de functie van portier, toezichthouder de in de FML neergelegde mogelijkheden van appellant te boven gaat. Deze functie is ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd. Het wegvallen van deze functie brengt mee dat de schatting nog slechts op twee functies is gebaseerd en daarmee, gelet op het bepaalde in artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, niet in stand kan blijven.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Het Uwv wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

6. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente is de Raad van oordeel dat deze vordering thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv, indien hij een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

7. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van

26 juli 2007 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 juli 2007;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

MH