Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
08-2784 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering toe te kennen, wegens overschrijding vermogensgrens. Nu er geen overwaarde in de woning aanwezig is, kan vermogensvrijstelling in verband met eigen woning niet worden toegepast. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Ook indien de contante waarde van de lijfrenteverzekering buiten de vermogensbepaling blijft, dan was zijn vermogen ten tijde van de aanvraag nog steeds aanzienlijk groter dan het vrij te laten vermogen.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/252

Uitspraak

08/2784 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2008, 06/3292 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 29 december 2005 heeft het College de aanvraag van appellant om toekenning van algemene bijstand over de periode van 26 augustus 2005 tot en met 16 oktober 2005 afgewezen, op de grond dat appellant op 26 augustus 2005 over een groter dan het op grond van artikel 34, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) vrij te laten vermogen (hierna: het vrij te laten vermogen) beschikte. De vermogensgrens ten tijde in geding was € 5.105,00.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 december 2005. Hij heeft daarbij in het bijzonder aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de vermogensvrijstelling van € 43.100,00 bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB (hierna: de vermogensvrijstelling) in verband met zijn eigen woning.

1.3. Bij besluit van 18 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 december 2005 ongegrond verklaard. Het College is daarbij uitgegaan van een vermogen op de datum van aanvraag van € 26.449,00. In het besluit is de volgende berekening opgenomen:

“• postbank € 514,00

• van internet naar postbank onderweg € 2.000,00

• postbank internet € 17.000,00

• rabobank € 0,00

• rabobank internet € 4 .418,00

• lijfrentepolis € 13.164,00

• postbank creditcard € 469,00 (negatief)

• borg huurders € 750,00 (negatief)

• Vermogen op rekeningen € 35.877,00 (positief)

Vermogensbestanddelen ten aanzien van uw woning:

• woz waarde € 138.500,00 (positief)

• kapitaalverzekering € 13.164,00 (positief)

• hypothecaire lening € 161.092,00 (negatief)

• Vermogen in woning € 9.428,00 (negatief)”.

Het College heeft overwogen dat, nu er geen overwaarde in de woning aanwezig is, de vermogensvrijstelling niet kan worden toegepast. Verder is overwogen dat de afkoopwaarde van een lijfrentepolis behoort tot het vermogen waarover kan worden beschikt, maar dat, ook als de waarde van die polis niet wordt meegerekend, appellant ten tijde van de aanvraag over voldoende middelen beschikte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat een kapitaalverzekering, die dient tot aflossing in de toekomst van een hypothecaire geldlening en die daartoe verpand is aan de hypotheeknemer, betrokken moet worden bij de bepaling van het in de woning gebonden vermogen in de zin van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB. Dat vermogen wordt vastgesteld door de waarde van de woning te verminderen met de hypothecaire geldschuld en te vermeerderen met de contante waarde van de kapitaalverzekering. Nu het in de woning gebonden vermogen van appellant ten tijde van de aanvraag, aldus berekend, negatief was, heeft het College terecht de vermogensvrijstelling niet van toepassing geacht. Omdat er geen deze vrijstelling overschrijdend vermogen in de woning gebonden was, mocht de rechtbank, anders dan appellant heeft betoogd, in het midden laten of appellant over de kapitaalverzekering kon beschikken. Van appellant werd immers niet gevergd dat hij dit zou doen.

4.2. Voorts faalt de stelling van appellant dat de onderwerpelijke besluitvorming door het College in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Niet is gesteld dat het College in een situatie die gelijk is aan die van appellant wel uitkering heeft verstrekt. Voorts kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel, dat is gebaseerd op een hypothese en niet op een feitelijke situatie, niet slagen. Tenslotte kan een geval waarin een betrokkene (slechts) over vermogen beschikt dat gebonden is in de door deze bewoonde woning, niet vergelijkbaar worden geacht met dat van appellant wiens vermogen ook bestaat uit liquide middelen die hij kan besteden aan de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

4.3. Appellant heeft verder aangevoerd dat de lijfrenteverzekering op gelijke voet behandeld moet worden met aanspraken op pensioen en AOW, en dus buiten de vermogensbepaling moet blijven, omdat die verzekering, gelet op de in appèl overgelegde polisvoorwaarden, niet kan worden afgekocht. Dit betoog kan appellant niet baten. Het College en de rechtbank hebben immers met juistheid overwogen dat ook indien de contante waarde van die verzekering, die gelet op de stellingen van partijen in beroep op € 5.800,00 moet worden gesteld, buiten de vermogensbepaling van appellant blijft, zijn vermogen ten tijde van de aanvraag nog steeds aanzienlijk groter was dan het vrij te laten vermogen.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aanvraag van appellant terecht is afgewezen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

IA