Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
07-1172 WAO + 09-1871 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit gewijzigd in herziening WAO-uitkering naar 15-25%. De enkele omstandigheid dat een zelfstandig medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts achterwege is gebleven niet mee dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar. Voldoende medische grondslag. Voldoende geschikte functies geduid. Aangezien bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid geen gebruik meer wordt gemaakt van de zogeheten maximering van de maatman, is door de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25% is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1172 WAO

09/1871 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 januari 2007, 06/3209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Groot, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 maart 2009 heeft het Uwv een nieuw besluit van 26 maart 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 21 december 2005 ingetrokken. Daarbij is overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 juni 2006 ongegrond verklaard

3. Appellante heeft zich in hoger beroep – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat haar medische klachten worden onderschat, dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen, en dat de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, niet zijn berekend op haar krachten en bekwaamheden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht door het Uwv en dat er geen reden is de medische grondslag van het besluit van 2 juni 2006 voor onjuist te houden.

4.2. Anders dan appellante stelt, levert de omstandigheid dat zowel in de primaire fase als in de bezwaarprocedure een onderzoek heeft plaatsgevonden door verzekeringsarts R. Bieze geen strijd op met enige rechtsregel. In de bezwaarprocedure heeft immers ook een beoordeling en een heroverweging plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts A. Hoogendoorn. Voor zover appellante heeft beoogd te stellen dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen eigen medisch onderzoek heeft verricht, kan zij daarin niet worden gevolgd. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld brengt de enkele omstandigheid dat een zelfstandig medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts achterwege is gebleven niet mee dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar (zie de uitspraak van 29 januari 2008, LJN BC3306). In hetgeen appellante heeft aangevoerd, kan de Raad geen aanknopingspunt vinden voor de conclusie dat de bezwaarverzekeringsarts in dit geval gehouden was een eigen medisch onderzoek te verrichten.

4.3. Wat betreft het standpunt van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar beperkingen als gevolg van astma, kan de Raad de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 17 februari 2009 volgen. Nu bij het onderzoek door de verzekeringarts op 23 januari 2006 in dit verband niet was gebleken van zodanige klachten dat daaruit duidelijke beperkingen voortvloeiden en appellante ook geen medicatie gebruikte, was er geen aanleiding met deze klachten rekening te houden in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 maart 2005. In de verwijzing door appellante naar de expertise van orthopedisch chirurg R.G.T. Geerling van 13 december 1994 ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat voor appellante verdergaande beperkingen ten aanzien van zitten hadden moeten worden aangenomen. In die expertise is aangegeven dat appellante regelmatig zal moeten opstaan en zich verplaatsen, aangezien langdurig zitten problemen geeft. Daargelaten de vraag of aan deze expertise uit 1994 betekenis toekomt voor de beoordeling die hier voorligt, overweegt de Raad dat in de FML onder item 5.9.1 is aangegeven dat appellante heupbelasting af moet kunnen wisselen met wat bewegen, hetgeen aansluit bij de door Geerling genoemde beperking. Verder is in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 maart 2006 in reactie op het standpunt van appellante daarover deugdelijk gemotiveerd waarom er geen reden is om een urenbeperking aan te nemen voor appellante. De enkele opmerking in de brief van de revalidatiearts P.J.C.M. van Leeuwen van 21 augustus 1997 – waarnaar appellante ter ondersteuning van haar standpunt heeft verwezen – dat appellante grote moeite had halve dagen afwisselende werkzaamheden te verrichten, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

4.4. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 29 mei 2006, bezien in samenhang met de rapportage van de arbeidsdeskundige van 11 oktober 2005, voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt te achten zijn voor appellante. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellante in het verleden ongeschikt is geacht voor haar eigen werk als secretaresse, niet meebrengt dat thans vergelijkbare kantoorwerkzaamheden ook ongeschikt moeten worden geacht. In genoemde rapportage van 29 mei 2006 is in dit verband inzichtelijk toegelicht dat er destijds in feite al onvoldoende argumenten waren om appellante ongeschikt te achten voor het eigen werk. De overige kritiek van appellante op de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige komt erop neer dat de juistheid van de FML ter discussie wordt gesteld. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, wordt appellante in die kritiek niet gevolgd. De stelling van appellante dat in strijd met de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (onder meer LJN AY9974) geen nadere toelichting is gegeven bij de signaleringen gemarkeerd door een ‘G’ en bij de zogenoemde verborgen beperkingen bij de aspecten knielen/hurken (4.22.0) en tastzin (item 4.4.0), is onjuist. In eerdergenoemde rapportage van 11 oktober 2005 is een toelichting gegeven bij de aspecten knielen/hurken en tastzin, en in de rapportage van 29 mei 2006 zijn de markeringen met een ‘G’ toegelicht, in ieder geval waar het betreft de functies die thans nog ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, te weten de functies centralist (sbc-code 515201), transportplanner (sbc-code 484010) en medewerker wetsuitvoerende taken (sbc-code 315120).

4.5. Blijkens de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 maart 2009 is de functie centralist (sbc-code 515201) met nummer 7221-9994-004 niet meer gehandhaafd, omdat door appellante terecht was opgemerkt dat in deze functie structureel ’s nachts wordt gewerkt, maar resteert binnen deze sbc-code nog een andere functie met voldoende arbeidsplaatsen. Echter, mede gelet op het feit dat bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid geen gebruik meer wordt gemaakt van de zogeheten maximering van de maatman, is door de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25% is. In aansluiting daarop heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2009 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 december 2005 herzien naar die mate van arbeidsongeschiktheid. Dat brengt mee dat het Uwv het besluit van 2 juni 2006 niet meer handhaaft, zodat dit besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, moeten worden vernietigd.

5.1. Met het besluit van 26 maart 2009 is wijziging gebracht in het besluit van 2 juni 2006. Nu het besluit van 26 maart 2009 niet geheel aan het beroep van appellante tegemoet komt, wordt het beroep ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

5.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, twijfelt de Raad niet aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit van 26 maart 2009 en evenmin aan de geschiktheid van de functies die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

5.3. Uitgaande van de geselecteerde functies is de WAO-uitkering terecht herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het beroep tegen het besluit van 26 maart 2009 is daarom ongegrond.

6. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep en gezien het feit dat de intrekking van de WAO-uitkering niet is gehandhaafd, dient het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN ZB1495).

7. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, nu het Uwv in hoger beroep alsnog de onjuistheid van het besluit van 2 juni 2006 heeft erkend en (deels) is tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor vergoeding van proceskosten voor de procedure in beroep ziet de Raad geen grond, nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit 2 juni 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 maart 2009 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor onder 6 is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) M.S.E. Wulfraat-van Dijk.

(get.) A.L. de Gier.

CVG