Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
07-5379 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant zijn verplichting om op gesprek te komen niet alsnog is nagekomen. Het ging hier ging om (sanctionering van) de negatieve houding van appellant ter zake van zijn deelname aan het re-integratietraject. De gevraagde medewerking van appellant - het verschijnen op een oproep voor een gesprek - vond dus plaats in het kader van voor appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB geldende verplichtingen. Bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichting dient, zo volgt uit de rechtspraak, de weg van verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB te worden gevolgd. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5379 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2007, 06/5116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna College)

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I.. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Delgado, advocaat te Hoogvliet, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Delgado. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door

P. van der Pols, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) Met het oog op de inschakeling van appellant in het arbeidsproces heeft het College voor appellant een trajectplan opgesteld en hem doorgeleid naar arbeid met behulp van een re-integratiebedrijf. Naar het oordeel van het College heeft appellant in de maanden juni en juli 2006 onvoldoende medewerking verleend aan de uitvoering van het traject, hetgeen heeft geleid tot de oplegging van een drietal maatregelen tot verlaging van de bijstand. In dit verband verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 december 2007, 07/141, waarin deze maatregelen door de rechtbank zijn beoordeeld.

1.2. Bij brief van 28 juli 2006 heeft het College appellant opgeroepen voor een gesprek op 31 juli 2006 in verband met het meewerken aan het traject. Bij brief van 30 juli 2006 heeft appellant zich afgemeld.

1.3. Bij brief van 31 juli 2006 heeft het College geconstateerd dat appellant niet op gesprek is gekomen en hem meegedeeld dat dit niet wordt geaccepteerd. Hem is de gelegenheid gegeven alsnog te verschijnen, en wel op 3 augustus 2006. Tevens heeft het College het recht op bijstand met toepassing van artikel 54 van de WWB met ingang van 31 juli 2006 opgeschort. Daaraan is de waarschuwing verbonden dat, indien appellant opnieuw niet verschijnt, de uitkering wordt ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het College - onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB – de bijstand van appellant met ingang van 31 juli 2006 ingetrokken op de grond dat hij zijn verplichting om op gesprek te komen niet alsnog is nagekomen.

1.5. Bij besluit van 13 november 2006 heeft het College de tegen de besluiten van 31 juli 2006 en 3 augustus 2006 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de inhoud van de door het College toegepaste wettelijke bepalingen (artikel 54, eerste, tweede en vierde lid, van de WWB) verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank - en met de gronden waarop dit oordeel rust - dat appellant verwijtbaar geen gevolg heeft gegeven aan de oproepen voor de op 31 juli 2006 en op 3 augustus 2006 te houden gesprekken. De Raad ziet in de door appellant in hoger beroep gegeven nadere toelichting op de redenen voor zijn afmelding voor deze gesprekken geen grond om tot een ander oordeel te komen. De Raad is evenwel anders dan de rechtbank van oordeel dat dit verwijtbare handelen niet kon leiden tot opschorting van het recht op bijstand en tot intrekking van de bijstand van appellant. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.3. In eerdere uitspraken van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 augustus 2008, LJN BE2717) heeft de Raad al overwogen dat aan de in artikel 54, eerste lid, van de WWB gebezigde term ”anderszins (….) medewerking verlenen” geen ruimere strekking toekomt dan de in artikel 17, tweede lid, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting. Daarbij is de Raad voorts tot het oordeel gekomen dat, indien de gevraagde medewerking niet ziet op een (totale) herbeoordeling van de arbeidsinschakeling en het recht op bijstand, maar plaatsvindt in het kader van de nakoming van - kort gezegd - de in artikel 9, eerste lid, van de WWB bedoelde verplichtingen, artikel 54, eerste lid, van de WWB toepassing mist.

4.4. De vertegenwoordiger van het College heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat het gesprek op 31 juli 2006 mede was bedoeld om in bredere zin over de arbeidsinschakeling van appellant te spreken, gelet op de moeizame voortgang van het

re-integratietraject van appellant. Naar het oordeel van de Raad kan dat echter niet uit de stukken worden afgeleid. Uit de bewoordingen van de uitnodigingsbrief voor dat gesprek blijkt dat het gesprek zou plaatsvinden in verband met de medewerking van appellant aan het traject. Dat gesprek betrof derhalve een specifieke verplichting van appellant. Ook uit de ambtelijke rapportage van 3 augustus 2006 kan niet anders worden afgeleid dan dat het hier ging om (sanctionering van) de volgens het College negatieve houding van appellant ter zake van zijn deelname aan het traject. De gevraagde medewerking van appellant - het verschijnen op een oproep voor een gesprek - vond dus plaats in het kader van voor appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB geldende verplichtingen. Bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichting dient, zo volgt uit de in 4.3 bedoelde rechtspraak, de weg van verlaging van de bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB te worden gevolgd.

4.5. Het College was derhalve niet bevoegd tot opschorting van het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Dat brengt tevens met zich dat het College niet bevoegd was tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

4.6. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 november 2006 wegens strijd met de onder 4.5 genoemde wetsbepalingen vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toekomende bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Nu de besluiten van 31 juli 2006 en 3 augustus 2006 berusten op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk gebleken, grondslag als het besluit van 13 november 2006 en dat gebrek niet meer kan worden hersteld, zal de Raad die besluiten herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand. Voor de gevraagde vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is geen grondslag, aangezien niet is voldaan aan de in artikel 7:15, derde lid, van de Awb vervatte voorwaarde dat om vergoeding van kosten is verzocht voordat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist en overigens ook niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten van rechtsbijstand.

6. De Raad ziet geen grond voor inwilliging van het verzoek van appellant om te bepalen dat het College een dwangsom verbeurt indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van de uitspraak tot uitbetaling van de nog verschuldigde bijstand wordt overgegaan. Ter zitting van de Raad is gebleken dat aan appellant met ingang van april 2007 opnieuw bijstand is toegekend. Het College zal dan ook nader onderzoek moeten verrichten naar (de omvang van) het recht op bijstand van appellant over de periode van 31 juli 2006 tot april 2007. Bij dat onderzoek is ook de medewerking van appellant vereist. Voor dat onderzoek is meer tijd nodig dan een periode van veertien dagen. De Raad ziet voorts geen aanleiding om te veronderstellen dat het College alleen onder de dreiging van een dwangsom zal overgaan tot het - binnen een redelijke termijn - uitvoeren van de uitspraak van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 november 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept de besluiten van 31 juli 2006 en 3 augustus 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Spijkenisse aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Spijkenisse het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter, en

R. Kooper en C. van Viegen. als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

NK