Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08-4217 AKW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8096, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AKW-uitkering toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze overgangsregeling niet op appellant van toepassing is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant op 1 januari 2000 niet in Marokko woonde, waardoor hij niet verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen op grond van artikel 26 van KB 746. Dit betekent dat appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2005 ook niet op grond van artikel 27 van KB 746 verzekerd is krachtens de AKW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4217 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2008, 06/6031 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 2 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2009. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in juni 2004 met behoud van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanuit Nederland naar Marokko verhuisd. In april 2006 heeft appellant aan de Svb verzocht kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan hem toe te kennen. Voor die tijd is appellant nooit in het genot geweest van kinderbijslag.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 20 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb gehandhaafd zijn besluit van 18 mei 2006 waarbij de Svb heeft geweigerd aan appellant met ingang van tweede kwartaal van 2005 kinderbijslag toe te kennen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet verzekerd is op grond van artikel 6 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), terwijl hij evenmin op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746) als verzekerde kan worden aangemerkt. Daarbij is in het bijzonder overwogen dat appellant op 1 januari 2000 niet onder de overgangsregeling van artikel 27 KB 746 valt omdat hij toen nog niet in Marokko woonde en bovendien geen recht had op kinderbijslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het standpunt van de Svb onderschreven en heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant kan zich in hoger beroep niet met dit oordeel van de rechtbank verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat hij verzekerd is ingevolge de AKW op grond van zijn WAO-uitkering en voorts, omdat hij premies voor de vrijwillige verzekering AOW/ANW betaalt.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. De Raad constateert dat niet in geschil is dat appellant in de periode hier van belang geen ingezetene in de zin van de AKW was, en dat hij niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Appellant is dan ook niet verzekerd op grond van de hoofdregel van artikel 6 van de AKW. Het geschil spitst zich dan ook met name toe op de vraag of appellant verzekerd is op grond van artikel 27 van KB 746.

4.3. Ingevolge artikel 26 van KB 746 was verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon, die niet in Nederland woont en - onder meer - recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits die uitkering 35% van het wettelijk minimumloon bedraagt. Met ingang van 1 januari 2000 is dit artikel vervallen.

4.4. In artikel 27 van KB 746 is een overgangsregeling getroffen voor personen die tot aan 1 januari 2000 verzekerd waren ingevolge de volksverzekeringen op grond van artikel 26 van KB 746 en die, uitsluitend door het vervallen van dit artikel, vanaf die dag geen recht meer hebben op kinderbijslag op grond van de AKW. Voor die personen blijft artikel 26 van KB 746 ook vanaf 1 januari 2000 van toepassing zolang het jongste kind voor wie de verzekerde voor die dag recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze overgangsregeling niet op appellant van toepassing is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant op 1 januari 2000 niet in Marokko woonde, waardoor hij niet verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen op grond van artikel 26 van KB 746. Dit betekent dat appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2005 ook niet op grond van artikel 27 van KB 746 verzekerd is krachtens de AKW.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2009.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

NK

III. DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),

statue:

confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. de Mooij en présence de le maître M.C.T.M. Sonderegger en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, Le 02-07-2009.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de domicile.