Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08-318 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Voldoende zorgvuldig en/of uitvoering medische onderzoek. Met betrekking tot de kritiek die appellant heeft geuit jegens het onderzoek door en de rapportage van de zenuwarts Kemperman, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2008, waarin de Raad diezelfde kritiek reeds heeft verworpen. Ervan uitgaande dat de beperkingen en de arbeidsmogelijkheden van appellant door de verzekeringsartsen juist zijn gewaardeerd, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies buiten het bereik van appellant zouden liggen. Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat de aan die functies verbonden belasting binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/318 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 december 2007, 07/31 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1993 wegens angstklachten uitgevallen voor zijn voltijdse werkzaamheden als hoofd logistiek. Per einde wachttijd is hem een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Eind december 2000 is appellant gaan werken als administratief medewerker, in een omvang van 22 uur per week. Na uitval voor die werkzaamheden wegens moeheidsklachten is de WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2003 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2003 is appellant gezien in het kader van de zogeheten vijfdejaars herbeoordeling. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft de zenuwarts C.J.F. Kemperman appellant onderzocht en daarover verslag uitgebracht bij rapport van 26 maart 2004. Genoemde zenuwarts heeft op zijn vakgebied geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek bij appellant kunnen vaststellen. De verzekeringsarts heeft niettemin enkele beperkingen, ook met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant, aangenomen en deze vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juni 2004.

1.3. Gelet hierop en de uitkomsten van het ingestelde arbeidskundige onderzoek, is bij besluit van 24 augustus 2004, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 november 2004, appellants uitkering met ingang van 25 oktober 2004 herzien naar 35 tot 45%. De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 20 december 2005 het tegen het besluit van 16 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van 25 maart 2008 door de Raad bevestigd.

2.1. Inmiddels was het Uwv overgegaan tot een herbeoordeling van de arbeids-ongeschiktheid van appellant aan de hand van het aangepaste Schattingsbesluit van 18 augustus 2004 (Stb. 2004, 434). De verzekeringsarts is op basis van zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat er geen redenen zijn om de destijds opgestelde FML van 10 juni 2004 niet langer van toepassing te achten. Met inachtneming van de uitkomsten van het vervolgens ingestelde arbeidskundig onderzoek, is bij besluit van 2 mei 2006 appellants uitkering ingaande 28 juni 2006 verlaagd naar 25 tot 35%.

2.2. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen evenvermeld besluit, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de primaire medische beoordeling. De bezwaararbeidsdeskundige heeft na aanpassing van de primaire arbeidskundige beoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid nader bepaald op 35 tot 45%.

2.3. Bij besluit van 27 december 2006, hierna: het bestreden besluit, is appellant op en na 28 juni 2006 onveranderd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

3. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen.

4. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht komt, samengevat weergegeven, erop neer dat de medische onderzoeken, daarbij inbegrepen het onderzoek door de zenuwarts Kemperman, volgens appellant onvoldoende diepgaand en onvoldoende zorgvuldig zijn geweest. Appellant acht zich meer beperkt dan is aangenomen. In elk geval acht hij zich in verband met zijn energetische problemen niet in staat in een omvang van 40 uur per week te werken. Hij verricht thans administratieve werkzaamheden in een omvang van 32,5 uur per week, wat volgens appellant het voor hem maximaal haalbare is. Gezien zijn energiebeperking acht appellant zich ook niet in staat om naast het vervullen van de voltijdse functies ook nog een bedrijfsopleiding te volgen.

5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, gezien ook de inhoud van de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, appellant niet kan volgen in diens kritiek dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig en/of uitvoerig is geweest. Blijkens het rapport van de primaire verzekeringsarts van 4 april 2006 zijn de klachten van appellant uitgebreid aan bod gekomen en beoordeeld. Met name ook kan de Raad billijken dat is afgezien van het opvragen van informatie bij de behandelend sector, nu volgens de verzekeringsarts op basis van de anamnese en het onderzoek de belastbaarheid van appellant goed viel vast te stellen en appellant voorts ten tijde hier van belang uitsluitend bij een alternatief genezer - een mesoloog, niet zijnde arts - onder behandeling was. Wat betreft ten slotte de kritiek die appellant heeft geuit jegens het onderzoek door en de rapportage van de zenuwarts Kemperman, volstaat de Raad met een verwijzing naar zijn uitspraak van 25 maart 2008, waarin de Raad diezelfde kritiek reeds heeft verworpen.

5.2. Voorts overweegt de Raad dat hij geen aanknopingspunten heeft om het medische oordeel waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen, hierop neerkomend dat de medische situatie van appellant en de voor hem van toepassing te achten beperkingen ongewijzigd waren ten opzichte van die tijdens de beoordeling in 2004, niet juist te achten.

5.3. Van de zijde van appellant wordt overigens ook niet zozeer aangevoerd dat zijn gezondheidssituatie vanaf 2004 zou zijn verslechterd, maar wordt in feite opgekomen tegen de conclusies van het medisch onderzoek - door de zenuwarts Kemperman en de verzekeringsartsen - in 2004. Appellant acht die conclusies, zowel wat betreft de destijds ter beoordeling voorliggende datum 25 oktober 2004 als wat betreft de in de onderhavige procedure ter beoordeling voorliggende datum 28 juni 2006, onjuist.

5.4. In zijn uitspraak van 25 maart 2008 heeft de Raad reeds expliciet de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 25 oktober 2004 onderschreven. Er is niet kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten om met betrekking tot de datum 28 juni 2006 tot een ander oordeel te komen. Dit geldt met name ook voor de door appellant wederom bepleite medische urenbeperking.

5.5. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen en de arbeidsmogelijkheden van appellant door de verzekeringsartsen juist zijn gewaardeerd, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies buiten het bereik van appellant zouden liggen. Voor de Raad is genoegzaam komen vast te staan dat de aan die functies verbonden belasting binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid blijft. Dat geldt met name ook voor het in die functies te werken aantal uren. De in de arbeidsmogelijkhedenlijst opgenomen gegevens bieden geen aanknopingspunten voor de kennelijke veronderstelling van appellant dat in die functies, al dan niet in verband met een te volgen bedrijfsopleiding, per dag langer zou moeten worden gewerkt dan de “ongeveer 8 uur per dag gemiddeld” waartoe appellant volgens de FML in staat wordt geacht.

5.6. Uit het overwogene onder 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, in verband waarmee de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. van der Vos.

MH