Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08-3530 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering ten onrechte toegekende aanvullende beurs WSF. Eenmalige fout van de IB-Groep bij de verwerking van dezelfde gegevens. Beleid. Het besluit tot toekenning van een lening vormt geen tweede fout in zin van het beleid. Gelet op duidelijke wettekst wordt bij het vaststellen van de hoogte van de lening niet nader besloten over de hoogte van de aanvullende beurs.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 7.1
Wet studiefinanciering 2000 3.15
Wet studiefinanciering 2000 3.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3530 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 juni 2008, 07/2915

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 26 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Smink, werkzaam bij CNV Vakcentrale te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door P.J. Smink. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 december 2005 (Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 2) heeft de IB-Groep aan appellante over het studiefinancieringstijdvak 2006, naast de eerder verstrekte basisbeurs, een aanvullende beurs toegekend ter hoogte van het maximale bedrag.

1.2. Bij besluit van 22 juni 2007 (Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 4) heeft de

IB-Groep met toepassing van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) de toekenning van de aanvullende beurs herzien en vastgesteld dat appellante in het studiefinancieringstijdvak 2006 geen recht heeft op een aanvullende beurs. Voorts heeft de IB-Groep hetgeen ten onrechte over 2006 is uitbetaald van appellante teruggevorderd.

1.3. Het door appellante tegen het besluit van 22 juni 2007 ingediende bezwaar is bij besluit van 13 september 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van de IB-Groep ten grondslag dat bij de toekenning van de aanvullende beurs in het studiefinancieringstijdvak 2006 tengevolge van een systeemtechnische fout ten onrechte geen rekening is gehouden met de -bij de IB-Groep bekende- inkomensgegevens van de vader van appellante. Uitgaande van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de vader van appellante is de aanvullende beurs in het studiefinancieringstijdvak 2006 opnieuw berekend met als gevolg dat de aanvullende beurs over 2006 volledig is herzien en teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de IB-Groep bevoegd was over te gaan tot herziening van de aan appellante verstrekte aanvullende beurs in 2006 en dat geen grond aanwezig is om te oordelen dat de IB-Groep niet in redelijkheid van haar bevoegdheid om tot volledige herziening over te gaan gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de IB-Groep door de aanvullende beurs over 2006 volledig te herzien niet in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De IB-Groep heeft meerdere malen de bij haar bekende inkomensgegevens van de vader onjuist verwerkt zodat de IB-Groep op grond van het door haar gevoerde beleid niet tot volledige herziening, en dus terugvordering, had mogen besluiten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat aan appellante – als gevolg van door de

IB-Groep onjuist verwerkte gegevens – ten onrechte een aanvullende beurs over het studiefinancieringstijdvak 2006 is verstrekt. Voorts zijn partijen het erover eens dat de IB-Groep een bevoegdheid tot herziening heeft. In geschil is slechts de wijze waarop de IB-Groep van haar herzieningsbevoegdheid gebruikt heeft gemaakt.

4.2. De IB-Groep voert bij de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening ex artikel 7.1, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 een beleid inhoudende dat in de situatie dat te veel aan studiefinanciering is toegekend steeds volledig wordt herzien, ook indien de herziening het gevolg is van een door haar gemaakte fout. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt in die gevallen dat de IB-Groep meerdere malen een fout heeft gemaakt bij de verwerking van dezelfde gegevens en de studerende bovendien redelijkerwijs niet kon weten dat het oorspronkelijke besluit onjuist was.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad – onder meer de uitspraak van 21 juli 2006,

LJN AY5167 – is dit beleid niet kennelijk onredelijk, nu de wetgever met artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 heeft beoogd dat ook in het geval dat ten onrechte studiefinanciering is toegekend als gevolg van door de IB-Groep onjuist verwerkte gegevens met terugwerkende kracht tot volledige herziening wordt overgegaan.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval ten aanzien van het studiefinancieringstijdvak 2006 sprake is van een eenmalige foutieve verwerking door de IB-Groep van de inkomensgegevens van de vader, zodat op basis van het door de IB-Groep gevoerde beleid herziening ten volle dient plaats te vinden. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank als gegeven onder 6 van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt hier aan toe dat het besluit van 3 december 2006 (Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3) waarbij aan appellante op haar aanvraag per 1 december 2006 een lening is toegekend niet wordt aangemerkt als een tweede fout als bedoeld in het hiervoor omschreven beleid van de IB-Groep. Gelet op de duidelijke tekst van de artikelen 3.15 en 3.16 van de Wsf 2000 wordt bij het vaststellen van de hoogte van de lening niet nader besloten over de hoogte van de aanvullende beurs. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de IB-Groep in dit geval niet onverkort aan haar beleid had mogen vasthouden is de Raad niet gebleken.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL