Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08-3892 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting studiefinanciering in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Appellante heeft nagelaten de afwijking tussen het aan de IB-Groep opgegeven woonadres en het adres waarop appellante in de GBA ingeschreven staat ongedaan te maken. De Raad stelt vast dat er ten tijde van belang sprake was van een afwijking in de zin van artikel 1.5 van de Wsf 2000 en niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband overweegt de Raad dat appellante niet heeft aangetoond dat zij tegelijk met of kort na de registratie van het adres als GBA-adres ook aan de IB-Groep dit woonadres heeft doorgegeven. De IB-Groep heeft de ontvangst van een volgens appellante in januari 2007 – niet aangetekend of met bericht van ontvangst – verstuurde schriftelijke adreswijziging betwist. De Raad wijst er verder op, zoals de Raad al vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 7 april 2006, LJN AW2510, dat de omstandigheid dat de IB-Groep over adresgegevens uit de GBA beschikt, studerenden niet ontslaat van de op hen ingevolge de Wsf 2000 rustende verplichting om zelf en bijtijds wijzigingen in hun woonadres aan de IB-Groep door te geven. Bovendien heeft de IB-Groep appellante bij brief van 10 maart 2007 in duidelijke bewoordingen gewaarschuwd dat de aan haar toegekende studiefinanciering wordt omgezet naar de norm voor een thuiswonende, indien zij de gebleken afwijking niet binnen vier weken alsnog ongedaan maakt. Indien appellante ten tijde van de ontvangst van de brief van 10 maart 2007 in de veronderstelling verkeerde dat de door de IB-Groep na controle geconstateerde adresafwijking al vanaf begin januari 2007 niet bestond dan had het op haar weg gelegen om de IB-Groep ter zake om een toelichting te vragen. Appellante had naar het oordeel van de Raad kunnen en moeten reageren op de brief van 10 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3892 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 mei 2008, 07/774 WSF (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 26 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.B. Nijhuis, wonende te Ommen, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Nijhuis. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 10 maart 2007 heeft de IB-Groep aan appellante meegedeeld dat na controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan de IB-Groep heeft opgegeven

([Adres A] te [plaatsnaam]) in de maand februari 2007 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres B] te [plaatsnaam]). Aangegeven is daarbij dat indien appellante haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat indien het woonadres dat aan de IB-Groep is doorgegeven niet (meer) juist is, appellante dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Appellante is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van februari 2007 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.2. De IB-Groep heeft bij besluit van 11 mei 2007 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van februari 2007 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat appellante heeft nagelaten de afwijking tussen het aan de IB-Groep opgegeven woonadres en het adres waarop appellante in de GBA ingeschreven staat ongedaan te maken.

1.3. Tegen het besluit van 11 mei 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante heeft aangevoerd dat zij in januari 2007 schriftelijk een adreswijziging aan de IB-Groep heeft doorgegeven, welke door de IB-Groep echter blijkbaar niet is ontvangen.

1.4. De IB-Groep heeft het bezwaar bij besluit van 26 juli 2007 onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat in de (WSF-)administratie van de IB-Groep geen volgens appellante in januari 2007 doorgegeven woonadreswijziging is aangetroffen en dat appellante er niet tijdig voor heeft gezorgd dat ongedaan is gemaakt de afwijking die is ontstaan tussen wat is geregistreerd in de GBA en wat is geregistreerd in de WSF-administratie, terwijl evenmin is gebleken dat appellante van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 26 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. In de eerste plaats is aangevoerd dat in het licht van de wetsgeschiedenis artikel 1.5 van de Wsf 2000 de studerende niet verplicht om adreswijzigingen anders dan bij de aanvraag, dat wil zeggen ook de tussentijdse adresmutaties lopende het ongewijzigd recht op studiefinanciering, naast de verplichte opgave aan de GBA ook separaat te melden bij de IB-Groep. Verder is aangevoerd dat een gewijzigde inschrijving in de GBA tevens automatisch een adreswijziging aan de IB-Groep inhoudt, dat de waarschuwingsbrief van 10 maart 2007 onjuist geformuleerd en verwarrend is en ten slotte dat de gehanteerde termijn alvorens tot omzetting van de uitwonende beurs in een thuiswonende beurs is besloten onredelijk lang is.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Zoals de Raad eerder overwoog – onder meer in zijn uitspraak van 2 december 2005, LJN AU8002 – is ingevolge artikel 1.5 van de Wsf 2000 het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende mede afhankelijk gesteld van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende studerende aan de IB-Groep als woonadres heeft opgegeven overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de GBA, met dien verstande dat de uitwonende studerende wordt geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan indien hij een gebleken afwijking na bekendmaking ervan aan hem binnen vier weken ongedaan maakt of laat maken. Hoe en wanneer de adresafwijking is ontstaan is irrelevant. Iedere adresafwijking moet in beginsel worden hersteld door òf aanpassing van het GBA-adres aan het aan de IB-Groep opgegeven woonadres òf aanpassing van het woonadres aan het GBA-adres, met dien verstande dat de beide adressen zoveel mogelijk de juiste situatie moeten weergeven. De voorwaarde van met elkaar overeenkomende adresregistraties geldt slechts niet indien de uitwonende studerende van de afwijking tussen beide woonadresregistraties redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

4.3. De Raad stelt vervolgens vast dat er ten tijde van belang sprake was van een afwijking in de zin van artikel 1.5 van de Wsf 2000 en niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband overweegt de Raad dat appellante niet heeft aangetoond dat zij tegelijk met of kort na de registratie van het adres [adres B] te [plaatsnaam] als GBA-adres ook aan de IB-Groep dit woonadres heeft doorgegeven. De IB-Groep heeft de ontvangst van een volgens appellante in januari 2007 – niet aangetekend of met bericht van ontvangst – verstuurde schriftelijke adreswijziging betwist. De Raad wijst er verder op, zoals de Raad al vaker heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 7 april 2006, LJN AW2510, dat de omstandigheid dat de IB-Groep over adresgegevens uit de GBA beschikt, studerenden niet ontslaat van de op hen ingevolge de Wsf 2000 rustende verplichting om zelf en bijtijds wijzigingen in hun woonadres aan de IB-Groep door te geven. Bovendien heeft de IB-Groep appellante bij brief van 10 maart 2007 in duidelijke bewoordingen gewaarschuwd dat de aan haar toegekende studiefinanciering wordt omgezet naar de norm voor een thuiswonende, indien zij de gebleken afwijking niet binnen vier weken alsnog ongedaan maakt. Indien appellante ten tijde van de ontvangst van de brief van 10 maart 2007 in de veronderstelling verkeerde dat de door de IB-Groep na controle geconstateerde adresafwijking reeds vanaf begin januari 2007 niet bestond dan had het op haar weg gelegen om de IB-Groep ter zake om een toelichting te vragen. Appellante had naar het oordeel van de Raad kunnen en moeten reageren op de brief van 10 maart 2007. De Raad deelt niet het standpunt van appellante dat de brief van 10 maart 2007 onduidelijk en verwarrend is. Voorzover dat voor appellante wél zo was, had het op haar weg gelegen om zich tot de IB-Groep te wenden voor uitleg.

4.4. Hetgeen de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad heeft uiteengezet omtrent de bedoeling van de wetgever met artikel 1.5 van de Wsf 2000 leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De tekst van de wet en de wetsgeschiedenis bieden geen grondslag voor een uitleg als door de gemachtigde voorgestaan. Dat – naar de stelling van de gemachtigde – in het kader van hetzelfde wetgevingsproces als waarbij artikel 1.5 van de Wsf 2000 tot stand is gekomen in een aantal wetten andere oplossingen zijn gekozen om een correcte administratie van adresgegevens te verzekeren, maakt dit niet anders.

4.5. De Raad overweegt verder dat de IB-Groep naar het oordeel van de Raad na afloop van de in de brief van 10 maart 2007 genoemde periode van vier weken niet heeft getalmd in de besluitvorming, nu de IB-Groep reeds op 11 mei 2007 het omzettingsbesluit heeft genomen. Van een periode van vier à vijf weken die door de IB-Groep is genomen om tot omzetting over te gaan, kan niet worden staande gehouden dat dit onredelijk lang is.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL