Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
08-1699 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting, herziening en terugvordering WAO-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Appellant heeft fulltime gewerkt. Mede gelet op de in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen van (ex ) medewerkers van de werkgever, ziet de Raad genoegzaam steun voor de opvatting van het Uwv dat het loon voor de uren die appellant heeft gemaakt boven de tien uren per week die hij heeft opgegeven, in de loonlijst is verantwoord als loon van appellants echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1699 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2008, 07 / 6302 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Nederveen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sinds 1980 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip en informatie van de curator van het Taxibedrijf [naam bedrijf] is een fraudeonderzoek ingesteld, waarvan verslag is gedaan in een rapport werknemersfraude van 20 september 2004. Voorafgaande aan dit rapport was op 28 juli 2004 al over het fraudeonderzoek gerapporteerd, op grond waarvan het Uwv heeft besloten de uitbetaling van appellants uitkering te schorsen en - met ingang van 1 september 2004 - slechts deels en op voorschotbasis uit te betalen.

1.3. Op grond van de bevindingen en conclusies uit het rapport werknemersfraude heeft het Uwv de volgende besluiten genomen:

- een besluit van 26 april 2005, waarbij in verband met inkomsten uit arbeid de uitkering van appellant met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO over de periode van 8 mei 1996 tot en met 7 mei 1999 wordt gekort en wordt uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 45 tot 55%;

- een besluit van 26 april 2005, waarbij de WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO per 8 mei 1999 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%;

- een besluit van 8 juli 2005, waarbij van appellant wordt teruggevorderd hetgeen aan hem over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 30 april 2005 onverschuldigd aan WAO-uitkering is uitbetaald, neerkomende op een bedrag van € 83.073,34.

2. Appellant heeft tegen de besluiten van 26 april 2005 en het besluit van 8 juli 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en tevens beslist dat appellant, totdat een nieuwe aflossingsregeling zal zijn getroffen, per maand een bedrag van € 450,- dient te betalen ter aflossing van diens schuld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het Uwv terecht aannemelijk heeft geacht dat appellant als werknemer meer inkomsten heeft genoten bij voorheen Taxibedrijf [naam bedrijf] en later [naam bedrijf A] (hierna: de werkgever) dan het bedrag dat ten aanzien van appellant op de loonlijst van de werkgever is vermeld. De rechtbank zag in de in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen van (ex-)medewerkers van de werkgever voldoende grond om aan te nemen dat appellant meer uren per week heeft gewerkt dan de tien uren die appellant steeds heeft opgegeven en die op de loonlijst zijn verantwoord, alsmede dat de op de loonlijst vermelde inkomsten van appellants echtgenote dienen te worden aangemerkt als door appellant verworven inkomen omdat niet aannemelijk is dat de echtgenote deze inkomsten heeft verdiend als schoonmaakster bij de werkgever. De rechtbank heeft dan ook als haar oordeel te kennen gegeven dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant een zodanig inkomen heeft verworven dat met toepassing van artikel 44 van de WAO appellants uitkering diende te worden uitbetaald als ware appellant van 8 mei 1996 tot en met 7 mei 1999 voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt. Dat appellant door de politierechter is vrijgesproken van valsheid in geschrifte zover het de periode 5 november 1995 tot en met 30 juni 2000 betreft, achtte de rechtbank niet van belang gezien de eigen toetsing van de bestuursrechter in deze. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de door appellant verrichte arbeid vanaf 8 mei 1999 heeft beschouwd als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO. Tot slot heeft zij beslist dat er naar haar oordeel geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien.

4. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist waar zij heeft geoordeeld dat appellant gedurende de in geding zijnde periode meer uren per week heeft gewerkt dan de tien uren per week die op de loonlijst van de werkgever staan vermeld. Appellant heeft er op gewezen dat er voor dat oordeel geen steun is te vinden in enig administratief stuk en hij betwist dat de in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen voor dat oordeel voldoende steun bieden. Hij heeft daartoe gewezen op verklaringen die door dezelfde getuigen later zijn afgelegd tegenover de rechter-commissaris, uit welke verklaringen naar zijn opvatting blijkt dat de getuigen van hun eerdere, in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde, verklaringen terugkomen, dan wel die eerdere verklaringen aanzienlijk nuanceren. In de ogen van appellant bieden de eerdere verklaringen geen steun voor het door het Uwv ingenomen standpunt dat hij gedurende de (hele) periode van 8 mei 1996 tot en met 27 april 2004 meer dan tien uren per week heeft gewerkt voor de werkgever. Ook heeft de rechtbank naar de opvatting van appellant ten onrechte geoordeeld dat appellants echtgenote niet als schoonmaakster voor de werkgever heeft gewerkt; de voorhanden zijnde verklaringen bieden voor dat oordeel in zijn ogen geen steun. Tot slot heeft appellant gewezen op de gedeeltelijke vrijspraak door de politierechter en op het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 22 april 2008, waarbij hij tevens is vrijgesproken hetgeen hem overigens ten laste was gelegd.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. Uit hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, blijkt - naar ter zitting is bevestigd - dat appellants gronden zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij zelf steeds heeft opgegeven en gesteld en dat appellant, uitgaande van die grotere omvang van werkzaamheden, meer inkomsten uit arbeid heeft genoten. Als deze gronden doel treffen, zo heeft appellant gesteld, ontbeert het bestreden besluit, zowel wat betreft de twee besluiten van 26 april 2005 als het besluit van 8 juli 2005, feitelijke grondslag. Andere gronden heeft appellant niet aangevoerd.

5.2. Derhalve ligt voor de Raad de vraag ter beantwoording voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank bevestigend en hij stelt zich achter de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daar voegt de Raad nog het volgende aan toe.

5.3. Het Uwv heeft zich op basis van de in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen van (ex-)werknemers van de werkgever, alsmede gegevens van de Rijksverkeersinspectie op het standpunt gesteld dat appellant fulltime heeft gewerkt als taxichauffeur bij de werkgever en niet, zoals steeds door appellant is opgegeven en gesteld, voor slechts tien uren per week. Voorts heeft het Uwv, afgaande op de hiervoor bedoelde verklaringen, aangenomen dat de inkomsten die op de loonlijst van de werkgever staan vermeld bij de naam van de echtgenote van appellant in feite zijn te beschouwen als inkomsten uit arbeid van appellant.

5.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in 5.3 bedoelde verklaringen en de in 5.3 bedoelde gegevens van de Rijksverkeersinspectie genoegzaam aannemelijk maken dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij aan het Uwv heeft opgegeven. De omstandigheid dat de gegevens, afkomstig van de Rijksverkeersinspectie, slechts betrekking hebben op een tweetal perioden uit de gehele in geding zijnde periode, te weten de perioden 29 maart 1999 tot en met 9 mei 1999 en 20 maart 2000 tot en met 30 april 2000, en dat de getuigenverklaringen niet de gehele in geding zijnde periode betreffen, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan het uit die gegevens en verklaringen rijzende beeld van de werkzaamheden van appellant. De Raad wijst er daarbij met nadruk op dat die gegevens en verklaringen in die zin overeenkomen dat daaruit blijkt dat appellant, voor de perioden waar die gegevens en verklaringen betrekking op hebben, steeds fulltime heeft gewerkt.

5.5. Naar de vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde inlichtingenformulieren onjuist en/of onvolledig heeft ingevuld en waarin de verzekerde vervolgens verzuimd heeft aan het bestuursorgaan (tijdig) de nodige concrete, verifieerbare gegevens te verstrekken betreffende zijn inkomsten en de dagen en tijdvakken waarop die betrekking hebben, bevoegd om die inkomsten, alsmede de dagen waarop zij betrekking hebben schattenderwijs vast te stellen. De Raad wijst er daarbij op dat de gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over appellants inkomsten, alsmede over de dagen waarop die inkomsten betrekking hebben geheel binnen de risicosfeer van appellant vallen. Dit neemt echter niet weg dat aan die schatting voldoende onderzoek vooraf zal moeten gaan en bij die schatting de nodige zorgvuldigheid zal moeten worden betracht teneinde tot een vaststelling te kunnen komen die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert.

5.6. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gesteld dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. In het kader van het fraudeonderzoek is door het Uwv getracht meer gegevens te achterhalen bij zowel de werkgever als de werknemer. Beide hebben te kennen gegeven dat zij niet meer gegevens hebben dan in het dossier zijn terug te vinden. De werkgever heeft steeds geweigerd verklaringen af te leggen. De wel in het dossier aanwezige rittenstaten en loonlijst komt, gelet op hetgeen hiervoor in 5.4 is overwogen, niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien.

5.7. Gelet op het geheel van de aanwezige gegevens en het door het Uwv verrichte fraudeonderzoek is de Raad van oordeel dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat appellant gedurende de in geding zijnde periode van 8 mei 1996 tot en met 30 april 2005 fulltime werkzaamheden heeft verricht voor zijn werkgever. Mede gelet op de in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen van (ex )medewerkers van de werkgever, ziet de Raad genoegzaam steun voor de opvatting van het Uwv dat het loon voor de uren die appellant heeft gemaakt boven de tien uren per week die hij heeft opgegeven, in de loonlijst is verantwoord als loon van appellants echtgenote. De door appellants echtgenote in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaring komt naar het oordeel van de Raad, gelet op de overige gegevens en verklaringen, onvoldoende betekenis toe om tot een andersluidend oordeel te komen.

5.8. De Raad ziet in de door appellant overgelegde verklaringen van (ex )werknemers, welke verklaringen naderhand tegenover de Rechter-commissaris zijn afgelegd, onvoldoende grond om tot een andersluidend oordeel te komen. Weliswaar wijken deze nadere verklaringen op onderdelen af van de door de desbetreffende (ex-)medewerkers in het kader van het fraudeonderzoek afgelegde verklaringen, maar de Raad acht die afwijkingen niet zodanig dat daaraan de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat niet (meer) aannemelijk is dat appellant fulltime heeft gewerkt.

5.9. Op grond van hetgeen hij onder 5.3 tot en met 5.8 heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat de door appellant in hoger beroep ingebrachte gronden niet slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL