Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
08-3555 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW-uitkering. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Niet voldaan aan inkomenseis. Onderzoek ter zitting rechtbank ten onrechte achterwege gelaten. Geen reden om terug te wijzen. Raad doet zaak zelf af. Beoordeling naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. Op basis van leeftijd is het overgangsrecht van de IWS en de TBA niet van toepassing. Arbeidsongeschiktheidscriterium. Geen heropening uitkering. Geen jeugdgehandicapte.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 3:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3555 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2008, 05/3662 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 27 februari 2009. Voor appellante is haar voornoemde raadsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [in] 1969, heeft op 11 september 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd waarbij zij heeft aangegeven dat zij van mening is dat zij in ieder geval sinds 27 januari 1986 arbeidsongeschikt is in verband met klachten en belemmeringen als gevolg van de ziekte van Crohn en visusstoornissen als gevolg van chororetinitis.

1.2. Uitgaande van de door de verzekeringsarts arbitrair vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 januari 1990, heeft het Uwv bij (primair) besluit van

4 januari 2001 geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen, omdat zij niet voldoet aan de zogenoemde inkomenseis.

1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Koek op basis van de beschikbare medische informatie geconcludeerd dat appellante vanaf de opname in het ziekenhuis op 4 augustus 1994 als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Dit in verband met beperkingen als gevolg van de ziekte van Crohn, een diagnose die kort na deze opname voor het eerst is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts meent voorts dat voorafgaande aan 4 augustus 1994 geen periode is aan te wijzen dat appellante 52 weken onafgebroken in enige mate arbeidsongeschikt is geweest. Zij meent daarom dat 4 augustus 1994 ook als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden beschouwd.

1.4. Uitgaande van deze eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft het Uwv bij besluit van 12 juli 2001 de bezwaren van appellante ongegrond verklaard, wederom omdat zij niet aan de AAW-inkomenseis voldoet. Bij uitspraak van 6 augustus 2004 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank volgt het advies van haar deskundige, de internist F.W. Peuscher. Uit dit advies leidt de rechtbank af dat appellante ook van 27 januari 1986 tot 4 augustus 1994 beperkingen ondervond als gevolg van ziekte. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen en eerst de beperkingen van appellante vast te stellen en arbeidskundig onderzoek te doen verrichten. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

1.5. Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens arbeidsbeperkingen voor appellante geformuleerd, die volgens hem van toepassing zijn voor de gehele periode van 27 januari 1986 tot 4 augustus 1994, en deze opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers heeft op basis daarvan functies geselecteerd, waarmee appellante een zodanige verdiencapaciteit heeft dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. De bezwaararbeidsdeskundige is daarbij uitgegaan van de fictie dat deze functies ook op 27 januari 1987 bestonden.

1.6. Geconfronteerd met deze nieuwe beoordeling is namens appellante onder overlegging van een expertise van de arbeidskundige W. Elsman onder meer betoogd, dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria in de AAW zoals deze golden op 27 januari 1987, de datum met ingang waarvan appellante aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als jeugdgehandicapte.

1.7. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 4 januari 2001 opnieuw ongegrond verklaard en ter onderbouwing daarvan verwezen naar een aantal rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. Uit deze rapportages blijkt dat het Uwv van oordeel is dat de aanspraken van appellante moeten worden beoordeeld aan de hand van het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat in de AAW is opgenomen vanaf 1 augustus 1993. Het Uwv heeft geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen onder de overweging dat haar mate arbeidsongeschiktheid per 27 januari 1987 minder dan 25% bedraagt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 19 juli 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit en heeft gemotiveerd aangegeven om welke redenen zij heeft besloten het advies van de door haar ingeschakelde deskundige, de internist P.M. Elte, niet te volgen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2005, LJN AS8451, heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de aanspraken van appellante terecht heeft beoordeeld op basis van het arbeidsongeschiktheidscriterium dat gold vanaf 1 augustus 1993.

3.1. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte haar deskundige heeft gepasseerd, dat de medische grondslag van het besluit door de rechtbank vervolgens ten onrechte als juist is beschouwd en dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wel het oordeel van de bezwaararbeidsdeskundige is gevolgd en niet dat van Elsman. Appellante heeft tevens aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het arbeidsongeschiktheidscriterium van na 1 augustus 1993 van toepassing is. Tot slot is gesteld dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de rechtbank mede uitspraak heeft gedaan op basis van een rapportage d.d. 18 december 2007 van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, die pas door het Uwv aan de rechtbank is toegezonden nadat appellante toestemming had gegeven aan de rechtbank om zonder nadere zitting het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen.

3.2. Het Uwv heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard en meent dat de gronden van het hoger beroep geen doel treffen. Desgevraagd is ter zitting namens het Uwv aangegeven dat bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet is getoetst aan het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat in de AAW en de op die wet gebaseerde regelingen was opgenomen op 27 januari 1987 en voorts dat op basis van de voorhanden gegevens nu niet kan worden beoordeeld of toetsing aan dat criterium zou leiden tot een relevante mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op genoemde datum. Daarvoor acht de gemachtigde een nader arbeidskundig onderzoek en een nadere beoordeling noodzakelijk.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Allereerst overweegt de Raad dat de beroepsgrond dat de rechtbank artikel 8:57 van de Awb heeft geschonden, doel treft. Hetgeen ter zitting door de gemachtigde van appellant naar voren is gebracht omtrent de gang van zaken nadat schriftelijk toestemming was gegeven om de zaak zonder zitting af te doen, heeft de gemachtigde van het Uwv niet kunnen weerspreken en acht de Raad op grond van de gedingstukken aannemelijk. De Raad concludeert dat de gemachtigde van appellant inderdaad ten onrechte niet nog de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op de rapportage van 18 december 2007, zodat de rechtbank die rapportage niet bij haar in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel had mogen betrekken. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Omdat de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanspraken van appellante dienen te worden beoordeeld aan de hand van het arbeidsongeschiktheidsciterium zoals dat vanaf 1 augustus 1993 is opgenomen in de AAW en overweegt daartoe als volgt.

4.2.1. Appellante heeft op 11 september 2000 een aanvraag ingediend om haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen omdat zij sedert 27 januari 1986, de dag waarop zij 17 jaar is geworden, onafgebroken arbeidsongeschikt is, daarom ook arbeidsongeschikt was op 27 januari 1987 en in verband daarmee als jonggehandicapte moet worden beschouwd. Ten tijde van de aanvraag was de Wajong van kracht.

4.2.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer ’s Raads uitspraak van 6 maart 2007, (LJN BA0905) dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. Ten aanzien van de weigering appellante een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen vanwege sedert 27 januari 1986 bestaande arbeidsongeschiktheid, overweegt de Raad in de eerste plaats dat deze weigering, gelet op de van toepassing zijnde regelgeving op de datum waarop die aanspraak betrekking heeft, inhoudelijk gezien, beoordeeld dient te worden op en na einde wachttijd, 27 januari 1987, aan de hand van de bepalingen van de AAW zoals die op dat moment van kracht waren.

4.2.3. Indien tussen de datum waarop de aanspraak ziet en het moment waarop de aanvraag wordt gedaan de regelgeving is gewijzigd, dan zal tevens beoordeeld moeten worden of zo’n wijziging gevolgen heeft voor het bij de beoordeling van die aanspraak in aanmerking te nemen recht. Dit geldt te meer nu, gelet op artikel 29 Wajong, de Wajong- uitkering, behoudens in bijzondere gevallen, niet vroeger kan ingaan dan één jaar voor de dag, waarop de aanvraag werd ingediend. In dit verband heeft de Raad in zijn uitspraak van 2 februari 2005, LJN 8451, waarnaar door de rechtbank is verwezen, onder meer het volgende overwogen: “In zijn algemeenheid geldt dat nieuwe wet- of regelgeving onmiddellijke werking heeft, hetgeen wil zeggen dat een nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechten en rechtsbetrekkingen. Bij de nieuwe regeling kunnen voorschriften van overgangsrecht worden gegeven met een temporele of een eerbiedigende werking. Ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de AAW en de WAO is zowel bij de wetswijziging per 1 januari 1987 als bij de wetswijziging per 1 augustus 1993 voorzien in overgangsrecht, dat deels een temporele werking heeft (het tot het moment van wetswijziging geldende arbeidsongeschiktheidscriterium bleef voor een bepaalde categorie uitkeringsgerechtigden nog enige tijd gelden) en deels een eerbiedigende werking (het tot het moment van wetswijziging geldende arbeidsongeschiktheidscriterium bleef volledig van kracht voor een andere categorie uitkeringsgerechtigden). De betreffende overgangsbepalingen zijn artikel 52 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) en artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 7 juli 1993, Stb. 1993, 412 (TBA). Op grond van artikel 52 van de IWS is, voor zover hier van belang, het oude recht van toepassing gebleven voor degenen die op 31 december 1986 recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de leeftijd van 35 jaar hadden bereikt. Artikel XVI, eerste lid, van de TBA houdt in dat het tot 1 augustus 1993 geldende recht van toepassing blijft op degenen die op 31 juli 1993 recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de leeftijd van 45 jaar hadden bereikt. De Raad stelt vast dat gedaagde, die op 2 januari 1967 is geboren, alleen al op basis van zijn leeftijd niet onder het overgangsrecht van de IWS en de TBA valt. Op 31 december 1986 was gedaagde immers 19 jaar oud en op 31 juli 1993 26 jaar. Dit betekent dat indien beoordeling aan de hand van het oude arbeidsongeschiktheidscriterium zou hebben geleid tot een relevante mate van arbeidsongeschiktheid, herbeoordeling per 1 januari 1987 aan de hand van het midden arbeidsongeschiktheidscriterium zou hebben moeten plaatsvinden. Indien op basis van die herbeoordeling sprake zou zijn gebleven van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid, dan zou per 1 augustus 1993 een beoordeling aan de hand van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium hebben moeten plaatsvinden en vervolgens zou de situatie opnieuw beoordeeld moeten worden per 8 augustus 1994, de datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou kunnen ingaan. Gelet op deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellant de aanspraken van gedaagde op een arbeidsongeschiktheidsuitkering per 8 augustus 1994 terzake van arbeidsongeschiktheid op respectievelijk 1 december 1985 en 21 oktober 1990 terecht heeft beoordeeld aan de hand van het per 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium.”

4.2.4. Ook in de onderhavige zaak valt appellante reeds op grond van haar leeftijd niet onder de overgangsbepalingen van de AAW. Anders dan in de zaak waarin de Raad de voren geciteerde overwegingen in zijn uitspraak heeft opgenomen, staat in de onderhavige zaak echter vast, zoals ook namens het Uwv ter ziting van de Raad nog is bevestigd, dat appellante op en na 4 augustus 1994 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de AAW. Daarom moet in beginsel naar de toen geldende wetgeving worden onderzocht of appellante op 27 januari 1987 valt aan te merken als jeugdhandicapte. Indien echter zou komen vast te staan dat appellante jeugdgehandicapte was op 27 januari 1987, zou per 1 augustus 1993 een beoordeling aan de hand van het nieuwe criterium hebben moeten plaats vinden. Indien deze beoordeling niet tot een relevante mate van arbeidsongeschiktheid zou hebben geleid, kan appellante terzake van haar aanvraag van 11 september 2000 niet in aanmerking komen voor een Wajong-uitkering, ook niet in verband met haar sinds 4 augustus 1994 wel aangenomen arbeidsongeschiktheid.

4.3. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of en in welke mate appellante op 27 januari 1987 arbeidsongeschikt was, moet worden beoordeeld op basis van het arbeidsongeschiktheidscriterium van na 1 augustus 1993. Wel dient aan de hand van dat criterium te worden beoordeeld of appellante op of na 1 augustus 1993 in enige relevante mate arbeidsongeschikt was en dat tot 4 augustus 1994 is gebleven.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat bij die beoordeling dient te worden uitgegaan van de arbeidsbeperkingen zoals die zijn opgenomen in de FML van 18 augustus 2004, welke is omgezet in een zogenoemd FIS belastbaarheidspatroon d.d. 21 februari 2005 en welke de arbeidsmogelijkheden en beperkingen van appellante weergeeft vanaf 27 januari 1986 tot 4 augustus 1994. Met het Uwv is de Raad van mening dat voor de inschatting in welke mate appellante arbeidsbeperkingen heeft, in casu niet van belang is welk arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is.

4.5.1. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat de rechtbank overtuigend heeft gemotiveerd dat er voldoende aanleiding bestond het advies van de door haar zelf ingschakelde deskundige Elte niet te volgen. Uit het rapport van de deskundige en zijn nadere reactie op verzoek van de rechtbank van 7 november 2007, komt naar voren dat de deskundige van oordeel is dat de betrouwbaarheid van de diverse medische gegevens van voor 1994 in twijfel moet worden getrokken, omdat toen nog niet de diagnose ziekte van Crohn bij appellante was gesteld. Om die reden heeft de deskundige de inschatting van appellante zelf van haar beperkingen een zwaardere rol laten spelen dan de medische feiten zoals weergegeven in de diverse rapportages, met als conclusie dat appellante vanaf 1987 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de deskundige aldus een te zwaar gewicht heeft toegekend aan de eigen visie van appellante, zonder die in voldoende mate te toetsen aan zijn eigen oordeel als deskundige.

4.5.2. De stelling van appellante dat de rechtbank de deskundige nader had moeten bevragen dan wel een andere deskundige had moeten inschakelen treft naar het oordeel van de Raad evenmin doel. De rechtbank heeft de deskundige bij brief van 4 september 2007 om een reactie gevraagd, wat heeft geresulteerd in de brief van de deskundige van 7 november 2007 waarin hij nogmaals heeft uitgelegd waarom hij de visie van appellante in dit geval doorslaggevend acht.

4.5.3. Gelet op de omstandigheden van dit geval kan de Raad zich voorts vinden in de beslissing van de rechtbank om niet een andere deskundige in te schakelen, maar het Uwv te volgen waar het betreft de vaststelling van de beperkingen van appellante. Het handelt hier om een aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 11 september 2000, waarbij ter beoordeling is wat de beperkingen waren van appellante op en na 27 januari 1986 en gelet op het vorenoverwogene meer in het bijzonder vanaf 1 augustus 1993. Een dergelijke retrospectieve beoordeling van een medische situatie kan niet anders plaats vinden dan aan de hand van een interpretatie van de voorhanden medische gegevens uit die tijd en een inschatting van de beperkingen per genoemde datum, mede op basis van de wetenschap van hetgeen later is geconstateerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijzen met inachtneming van de beschikbare medische gegevens tot een goede inschatting van de beperkingen van appellante zijn gekomen. Op basis van de voorhanden gegevens zijn er naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv te lichte of te weinig beperkingen voor appellante heeft vastgesteld. Het gegeven dat de rechtbank desondanks nog een deskundige heeft verzocht om nog eens zijn visie op de vastgestelde beperkingen te geven betekent niet dat reeds om die reden moet worden geconcludeerd dat de vaststelling van de beperkingen door het Uwv niet juist was. Dat de deskundige vervolgens geen advies heeft uitgebracht dat voldoet aan de daaraan te stellen eisen, houdt naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval in, dat de stelling van appellante dat de voor haar vastgestelde beperkingen te licht zijn, mede nu zij overigens geen medische gegevens heeft overgelegd die haar standpunt in voldoende mate ondersteunen, geen doel treft.

4.6. Vervolgens moet worden beoordeeld of appellante met deze beperkingen op en na 1 augustus 1993 in relevante mate arbeidsongeschikt in de zin van de AAW was. Dit betekent een arbeidskundige afweging of appellante al of niet in staat was in voor haar geschikte functies meer dan 25% van het voor haar geldende maatmaninkomen (minimumloon) te verdienen.

4.6.1. De Raad stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers blijkens zijn rapport van 26 oktober 2004 functies heeft geselecteerd en er van uit is gegaan dat deze functies ook in 1987 reeds bestonden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft zich niet specifiek gericht op de periode 1 augustus 1993 tot 4 augustus 1994. De Raad ziet echter onvoldoende aanleiding er van uit te gaan, dat de betreffende functies in die vorm ook in genoemde periode niet bestonden.

4.6.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vijf functies met elk tenminste 7 arbeidsplaatsen geselecteerd. Naar aanleiding van onder meer de van de zijde van appellante overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige W. Elsman heeft de bezwaararbeidsdeskundige nader gemotiveerd dat deze functies voor appellante passend zijn en door haar met haar beperkingen kunnen worden verricht. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige met name in zijn rapport van 25 april 2005, in reactie op de bezwaren van Elsman van 25 maart 2005, overtuigend onderbouwd dat de functies geschikt zijn.

4.7. Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie, dat appellante tenminste in de periode van 1 augustus 1993 tot 4 augustus 1994 geen recht op AAW-uitkering heeft gehad. Nu zij ook in de periode voordien feitelijk geen arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, kan ook van een vorm van heropening in verband met op 4 augustus 1994 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen sprake zijn. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat het Uwv de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen omdat zij niet voldeed aan de AAW-inkomenseis en niet voldoet aan de voorwaarde dat zij jeugdgehandicapte is en dat (tot de aanvraag) is gebleven. De bezwaren van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag zijn bij het bestreden besluit van 19 juli 2005 terecht ongegrond verklaard.

5. Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep van appellante tegen het besluit van 19 juli 2005 ongegrond is.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.L. de Gier.

JL