Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
08-507 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting, verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Voldoende medische grondslag. Opleidingsniveau. Geen reden om appellant niet te houden aan hetgeen hij blijkbaar op het spreekuur 1999 tegenover de arbeidsdeskundige heeft verklaard, te weten dat hij een beetje het Nederlands kan lezen. Bovendien is sprake van eenvoudig productiewerk, waarbij naast (schriftelijke) instructies, aanvullend mondelinge instructies worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/507 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 december 2007, 05/5116 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datumuitspraak: 26 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij waren gevoegd een rapport van

6 maart 2008 van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst en een rapport van 17 maart 2008 van bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009.

Appellant is niet verschenen; namens hem was aanwezig mr. Raaijmakers, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1. Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellant op 10 oktober 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies die de hoogste lonen hebben, met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant, ingesteld tegen het bestreden besluit - voor zover hier van belang - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.1. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij het medisch onderzoek niet onzorgvuldig of onvolledig achtte en dat zij het uiteindelijke medische oordeel - zoals verwoord in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van, naar de Raad aanneemt: 19 februari 2007 - niet voor onjuist hield.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat deze eerst in beroep van een juiste motivering is voorzien.

3.1. In hoger beroep is namens appellant - voor zover thans nog van belang - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte er in heeft toegestemd dat het Uwv in beroep alsnog een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft uitgevoerd en dat appellant in een materieel nadeliger positie is gebracht nu de bezwaarverzekeringsarts in beroep een groot aantal beperkingen heeft geschrapt. Daarbij is geen overleg geweest met de verzekeringsarts. Appellant voldoet voorts niet aan het opleidingsvereiste en opleidingsniveau voor de functie montagemedewerker.

3.2. In verweer heeft het Uwv, onder verwijzing naar de in rubriek I genoemde rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige, aangevoerd dat bij medisch onderzoek geen afwijkingen van betekenis naar voren kwamen en dat appellant beschikt over bekwaamheden die algemeen gebruikelijk zijn als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zodat de functies qua opleidingsniveau passend zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat uitgangspunt bij de beoordeling van het bestreden besluit is de FML van 19 februari 2007. Dat deze FML eerst ruim na de datum in geding zijnde

10 oktober 2005 is opgesteld, betekent niet dat deze geen basis kan zijn voor de onderhavige schatting. De Raad ziet ook niet in dat appellant is benadeeld doordat in beroep na onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts alsnog minder medische beperkingen zijn aangenomen, nu het resultaat van dat onderzoek niet geleid heeft tot een andere uitkomst dan die van het bestreden besluit.

4.2. Ook de Raad ziet onvoldoende aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist of onvoldoende te achten, gelet op het onderzoek dat verricht is door de bezwaarverzekeringsarts en de informatie afkomstig van de behandelend sector die hij in zijn rapport van 19 februari 2007, aangevuld op 26 april 2007, heeft betrokken. De

Raad merkt in dit verband op dat ook bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman in zijn rapport van 13 januari 2004 al concludeerde dat er in feite geen sprake was van objectiveerbare afwijkingen. De Raad is voorts geen regel bekend op grond waarvan de bezwaarverzekeringsarts in dit geval zijn bevindingen zou moeten terugkoppelen naar de verzekeringsarts.

4.3. Met betrekking tot het opleidingsniveau van appellant overweegt de Raad dat het Uwv blijkens het rapport van 17 juni 1999 van arbeidsdeskundige H.P. Loerakker er vanuit is gegaan dat appellant basisonderwijs heeft genoten in Marokko, dat hij de Nederlandse taal uitstekend spreekt en verstaat, deze een beetje kan lezen en moeite heeft met het schrijven van deze taal. De arbeidsdeskundige heeft appellant vervolgens ingedeeld in opleidingsniveau 2.

4.4. Uit de Gebruikershandleiding bij het CBBS (Claimbeoordelings- en borgingssysteem) leidt de Raad af dat de betrokkene bij opleidingsniveau 2 moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eind basisschoolniveau.

4.5. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant slechts de Koranschool in Marokko heeft doorlopen en in feite analfabeet is.

4.6. De Raad laat daar in hoeverre appellant kan lezen en schrijven op eind basisschoolniveau, waarbij hij opmerkt dat hij geen reden ziet waarom appellant niet gehouden zou kunnen worden aan hetgeen hij blijkbaar op het spreekuur van 15 juni 1999 tegenover de arbeidsdeskundige heeft verklaard, te weten dat hij een beetje het Nederlands kan lezen, nu de Raad van oordeel is dat appellant over genoeg bekwaamheden beschikt om de functie montagemedewerker te kunnen verrichten. Niet alleen betreft dit

eenvoudig productiewerk, ook worden naast het doornemen van (schriftelijke) instructies aanvullend aan de montagemedewerker mondelinge instructies gegeven.

4.7. De Raad is, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6, van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, te weten: voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand heeft gelaten, om die reden worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) R. Benza.

JL