Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
08-2830 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering (15-25%). Rechtbank heeft besluit vernietigd. In beginsel het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgen. De rechtbank heeft terecht het oordeel van deze deskundige gevolgd. Afwijkende persoonlijkheidsstructuur kan in zijn algemeenheid niet als een ziekte of gebrek worden gekwalificeerd en derhalve ook geen voor de WAO in aanmerking te nemen beperkingen met zich brengen. In het onderhavige geval ziet de Raad uit het rapport van de deskundige voortvloeien dat er een nauwe samenhang is tussen de narcistische persoonlijkheidsstructuur, die sedert een ongeval toenemend manifest is geworden en de gediagnosticeerde angststoornis en depressieve stoornis. De Raad heeft eerder geoordeeld dat een persoonlijkheidsstructuur kan bijdragen aan het ontstaan van een als ziekte of gebrek te duiden toestand, die beperkingen in het functioneren met zich brengt. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2830 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2008, 04/2626

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere brieven, met bijlagen, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 08/2991WAO. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. S.A.H. Kool. Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2. Bij besluit van 22 september 2003 heeft appellant aan betrokkene met ingang van

15 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust, omdat uit het rapport van 21 december 2005 van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, psychiater R. Tonneijck, blijkt dat betrokkene meer beperkingen heeft dan waarvan appellant is uitgegaan en de rechtbank geen reden heeft gezien om af te wijken van het oordeel van de deskundige. De rechtbank heeft voorts appellant in overweging gegeven om bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar de vaststelling van het maatmanloon en dagloon nader te bezien.

5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd, omdat uit diens rapport niet blijkt van een ernstige psychiatrische stoornis die reden zou kunnen zijn voor de door de deskundige genoemde beperkingen, terwijl de narcistische persoonlijkheidsstructuur van betrokkene, niet zijnde een persoonlijkheidsstoornis, die beperkingen niet met zich kan brengen. De deskundige heeft zich voorts te zeer laten leiden door de huidige arbeid van betrokkene, waarvoor hij door de arbeidsdeskundige ongeschikt wordt geacht, aldus appellant.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar deze rechtspraak, het oordeel van de deskundige Tonneijck gevolgd en heeft geen redenen gezien om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. De Raad is van oordeel dat de rechtbank met juistheid tot deze beoordeling is gekomen. De Raad heeft hierbij mee laten wegen dat uit de reactie van de deskundige van 28 februari 2008 op de kritiek van een bezwaarverzekeringsarts van appellant op zijn rapport van 21 december 2005 niet blijkt dat de deskundige zijn oordeel niet serieus heeft heroverwogen.

6.2. De Raad voegt hieraan toe dat een afwijkende persoonlijkheidsstructuur in zijn algemeenheid niet als een ziekte of gebrek kan worden gekwalificeerd en derhalve ook geen voor de WAO in aanmerking te nemen beperkingen met zich kan brengen. In het onderhavige geval ziet de Raad uit het rapport van de deskundige, evenals uit het rapport van 25 maart 2005 van psychiater N. van Loenen en psycholoog E.H. Ameling, voortvloeien dat er een nauwe samenhang is tussen de narcistische persoonlijkheidsstructuur, die bij betrokkene sedert het hem in 2002 overkomen ongeval toenemend manifest is geworden en de gediagnosticeerde angststoornis en depressieve stoornis. Dit heeft de deskundige geleid tot het duiden van beperkingen, waaronder een zogenoemde urenbeperking op energetische gronden. Dit sluit aan bij de ook reeds door Van Loenen en Ameling genoemde aantasting van de vitaliteit. Gelet op deze samenhang kan van het rapport van de deskundige niet worden gezegd dat daarin ten onrechte mede betekenis is toegekend aan de persoonlijkheidstructuur van betrokkene. De Raad heeft eerder geoordeeld dat een persoonlijkheidsstructuur kan bijdragen aan het ontstaan van een als ziekte of gebrek te duiden toestand, die beperkingen in het functioneren met zich brengt. Hiervan uitgaande heeft de Raad ook overigens onvoldoende aanknopingspunten aanwezig geacht voor zodanige twijfel aan aard en omvang van de door de deskundige aangegeven beperkingen dat afwijking van het onder 6.1 genoemde uitgangspunt zou zijn aangewezen. De Raad onderschrijft mitsdien hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over het oordeel van de deskundige Tonneijck.

6.3. De Raad heeft naar aanleiding van het verzoek van betrokkene ter zitting geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige ter nadere vaststelling van de beperkingen van betrokkene.

7. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 11,30 aan reiskosten in hoger beroep.

9. De kosten van de door betrokkene geraadpleegde medische deskundige komen voor vergoeding in aanmerking. Voor de rapportage van R.I. Teulings, die betrokkene aan de Raad heeft gezonden stelt de Raad, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken, de vergoeding vast op € 297,84. De overige door betrokkene op het formulier proceskosten vermelde kosten kunnen, voor zover deze betrekking hebben op de procedure in bezwaar en in beroep, in hoger beroep niet meer aan de orde worden gesteld. De rechtbank heeft over die proceskosten reeds een beslissing gegeven en betrokkene is daarvan niet in hoger beroep gekomen.

10. De Raad is uit de gedingstukken gebleken dat in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, zodat het bedrag van de (proces)kosten in hoger beroep dient te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 953,14, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

GdJ (get.) I.R.A. van Raaij.