Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
09-239 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling van mate van arbeidsongeschiktheid op 15 tot 25%. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de ‘g-markeringen’ alsnog voldoende zijn toegelicht. Appellant heeft in hoger beroep slechts gesteld dat de functie machinaal metaalbewerker in medisch opzicht ongeschikt is. Het Uwv heeft voldoende toegelicht dat het aspect “kortcyclisch torderen” voor de functie machinaal metaalbewerker in overeenstemming is met de voor appellant geldende belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/239 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2008, 07/2111 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Zoals tevoren was bericht zijn partijen niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontvangt sinds 27 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft het Uwv deze uitkering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 13 november 2003 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum minder dan 15% was. Dit besluit is genomen in het kader van een zogenaamd ‘vijfdejaars heronderzoek’.

1.2. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar aanvankelijk ongegrond is verklaard. Hangende de beroepsprocedure hierover bij de rechtbank heeft het Uwv op 5 juli 2005 een nieuw besluit op het bezwaar genomen waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid op en na 13 november 2003 ongewijzigd is vastgesteld op 15 tot 25%. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 augustus 2005 het besluit van 5 juli 2005 vernietigd onder de overweging dat het Uwv een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek had moeten verrichten, te meer omdat appellant op 14 november 2002 om een verhoging van zijn uitkering had gevraagd in verband met toegenomen klachten.

1.3. Het Uwv heeft in die uitspraak berust en alsnog een onderzoek verricht naar de situatie op 14 november 2002 en de situatie op 27 januari 2004, zijnde de reguliere datum van de vijfde jaarsherbeoordeling. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 27 januari 2004 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25%. Daarnaast heeft het Uwv op 27 februari 2006 een besluit genomen op het verzoek om verhoging van de uitkering en heeft daarbij geoordeeld dat van een toename van de arbeidsongeschiktheid per 14 november 2002 geen sprake is.

1.4. Bij uitspraak van 10 april 2007 heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid onderschreven, evenals de juistheid van de per 27 januari 2004 vastgestelde medische beperkingen. De rechtbank heeft echter het beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 juli 2006 vernietigd en aan het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen op grond van de overweging dat het Uwv de ‘g-markeringen’ bij de aspecten ‘kortcyclisch torderen’ en ‘hoofdbewegingen’ die bij de functie machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) voorkomen niet van een toelichting had voorzien.

1.5. Bij besluit van 2 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van bezwaararbeidsdeskundige P. Pols Paardekooper van 6 juni 2007 ten grondslag gelegd waarin alsnog een toelichting is gegeven bij de eerder genoemde ‘g-markeringen’. In een rapport van 7 november 2007 heeft bezwaararbeidsdeskundige L. Lind deze motivering aangevuld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat alleen nog in geding is de vraag of het Uwv op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de voorgaande uitspraak van de rechtbank van 10 april 2007. Daarbij is in de aangevallen uitspraak, waarin appellant wordt aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 6 juni 2007 het aspect “kortcyclisch torderen” gemotiveerd voor de functie machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122). De functiebelasting is tijdens acht werkuren 300 maal ongeveer 30 graden achtereen te torderen (materialen pakken en wegleggen). De bezwaararbeidsdeskundige noteert dat eiser op dit punt niet beperkt is en dat in de functie wordt getordeerd tot maximaal 30 graden, terwijl ten minste 45 graden normaal is. De bijbehorende (rug)belasting is (zeer) gering, waardoor een substantieel hogere frequentie geen enkel bezwaar vormt. De bezwaararbeidsdeskundige voegt in haar rapportage van 7 november 2007 nog toe dat de hogere frequentie ook wordt gecompenseerd doordat uit zitpositie getordeerd wordt.

De belasting in voornoemde functie ten aanzien van hoofdbewegingen luidt dat er dagelijks tijdens meer dan acht werkuren 300 maal ongeveer 30 graden achtereen. De toelichting op normaalwaarde van het CBBS is dat het hoofd ongehinderd bewogen kan worden. De bezwaararbeidsdeskundige geeft als toelichting op dit aspect dat eiser niet beperkt is op dit punt. Omdat het hoofd maximaal 30 graden vanuit de middenstand wordt bewogen is de bijbehorende nek- en/of rugbelasting zeer gering, waardoor een substantieel hogere frequentie geen enkel bezwaar vormt.

De rechtbank stelt verder vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in haar rapportage van 7 november 2007 de belasting van de geduide functie uitvoerig heeft gemotiveerd, waarbij tevens aandacht is besteed aan de totale belasting van de functie. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige het respect reiken betrokken bij de totale belasting van de functie, omdat eiser op dit punt ook beperkt is en er sprake is van een lichte overschrijding. De bezwaararbeidsdeskundige stelt dat de combinatie van de signaleringen geen aanleiding geven de functie te laten vervallen. De functie kan getypeerd worden als licht voornamelijk zittend productiewerk waarbij geen fysiek zware omstandigheden voorkomen. De ondertekening door de bezwaarverzekeringsarts geeft ook aan dat er geen medische bezwaren zijn om de functie machinaal metaalbewerker door eiser te laten verrichten.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder de functie nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat eiser, gelet op de op 19 oktober 2005 door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML, op deze beide aspecten niet beperkt wordt geacht. Verweerder heeft conform de uitspraak van 10 april 2007 de functie machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) op deze beide punten naar behoren gemotiveerd en de rechtbank acht de functie dan ook geschikt voor eiser.”

3.1. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het oordeel van de rechtbank dat de ‘g-markeringen’ alsnog voldoende zijn toegelicht, hetgeen met zich meebrengt dat de functie machinaal metaalbewerker terecht aan de schatting ten grondslag is gelegd, in rechte stand kan houden.

3.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Namens appellant is in hoger beroep slechts de stelling herhaald dat de functie machinaal metaalbewerker in medisch opzicht ongeschikt is. De Raad is van oordeel dat van de zijde van het Uwv voldoende is toegelicht dat de belasting in die functie in overeenstemming is met de voor appellant geldende belastbaarheid.

3.3. Uit hetgeen onder 3.1 en 3.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

3.3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) R. Benza.

GdJ