Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
07-5093 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na aangiftevan diefstal sieraden en groot bedrag aan contant geld: herziening en terugvordering bijstand. Nieuwe aanvraag bijstand buiten behandeling gelaten. Niet overleggen van gegevens over diefstal en bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5093 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 augustus 2007, 06/6665 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Voor appellante is verschenen mr. Spek. Het College heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 juli 1997 bijzondere bijstand en vanaf 1 oktober 2000 in aanvulling op haar AOW-pensioen algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij een (mede) naar aanleiding van een belastingsignaal ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand is naar voren gekomen, dat appellante in 2003 bij de politie aangifte heeft gedaan van diefstal uit haar woning van een groot bedrag aan contant geld en van sieraden met een aanzienlijke waarde alsmede dat appellante ten tijde van de verlening van de bijstand geen melding heeft gemaakt van een aantal op haar naam staande bankrekeningen.

1.2. Bij onherroepelijk geworden besluit van 10 mei 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2005 ingetrokken. Bij besluit van 26 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2005 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijzondere en algemene bijstand tot een bedrag van € 23.998,83 van appellante teruggevorderd.

1.3. Appellante heeft op 17 oktober 2005 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij brief van 20 oktober 2005 is appellante gevraagd uiterlijk op 10 november 2005 een aantal stukken over te leggen, waaronder nadere gegevens over de op haar naam staande bankrekeningen en over de afhandeling van de diefstal van geld en sieraden uit haar woning. Bij besluit van 14 november 2005 heeft het College - onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - appellante meegedeeld dat de aanvraag niet wordt behandeld op de grond dat zij niet, niet tijdig of niet volledig heeft voldaan aan het verzoek om nadere gegevens over te leggen.

1.4. Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het College de tegen de besluiten van 26 augustus 2005 en 14 november 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Wat de intrekking betreft heeft het College daarbij in aanvulling op het besluit van 26 augustus 2005 overwogen dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van het bezit van contante gelden en sieraden en van bankrekeningen, en dat appellante gelet op haar vermogen geen recht had op bijstand dan wel dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1. De Raad ziet aanleiding onderscheid te maken tussen de periode van 1 juli 1997 tot 30 mei 2003 (datum aangifte diefstal) en de resterende periode.

4.2. De Raad neemt aan, gelet op de datum en de inhoud van de door appellante gedane aangifte van diefstal - zoals bijgesteld bij een nadere aangifte van 1 augustus 2005 - , dat appellante van 1 juli 1997 tot 30 mei 2003 heeft beschikt over contante gelden en over sieraden. Daarbij betrekt de Raad dat appellante heeft verklaard dat zij gelden heeft ontvangen uit de nalatenschap van haar in 1988 overleden echtgenoot en dat zij de sieraden, afkomstig uit familiebezit in Suriname, al lange tijd in haar bezit had. De Raad is van oordeel dat de door appellante genoemde waarde van de sieraden (tussen de € 20.000,-- en € 50.000,-- ) zodanig hoog was dat niet kan worden gesproken van een bezitting in natura die naar zijn aard en waarde als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd, als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw). De totale waarde van het geld en de sieraden lag, ook indien wordt uitgegaan van de bijgestelde aangifte, waarin over een bedrag van € 20.000,-- aan ontvreemd geld wordt gesproken, in zeer ruime mate boven de destijds geldende grens van het vrij te laten vermogen. Gedurende deze periode had appellante reeds om die reden geen recht op bijstand. De bankrekeningen kunnen derhalve voor deze periode buiten beschouwing worden gelaten. Appellante heeft van het bezit van het geld en de sieraden geen mededeling aan het College gedaan. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Die schending heeft tot gevolg gehad dat aan haar over deze periode ten onrechte bijstand is verleend.

4.3. Voor de daarop volgende periode gaat de Raad ervan uit dat appellante niet meer beschikte over de in 4.2 genoemde gelden en sieraden. Uit het door het College ingestelde onderzoek blijkt dat (mede) op naam van appellante gedurende deze periode zes bankrekeningen hebben gestaan, waarvan er vijf bij het College niet bekend waren.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Daarin is appellante niet geslaagd. Zij heeft weliswaar in bezwaar naar voren gebracht - en in hoger beroep gehandhaafd - dat een deel van haar banktegoeden toekomt aan haar broer, maar de ter ondersteuning daarvan overgelegde verklaring van die broer acht de Raad voor dat standpunt ontoereikend, nu die verklaring niet door objectieve, verifieerbare gegevens wordt ondersteund. Evenmin treft doel de stelling van appellante dat het tegoed op de verschillende bankrekeningen is gespaard uit haar bijstandsuitkering, nu ook deze stelling niet aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk is gemaakt.

4.5. Vaststaat dat appellante aan het College geen mededeling heeft gedaan van vijf op haar naam staande bankrekeningen. Ook in zoverre heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellante heeft, nadat die bankrekeningen aan het College waren gebleken, in het vervolgonderzoek en in de daarop volgende procedures van bezwaar en beroep en hoger beroep lang niet alle bankafschriften van de op haar naam staande rekeningen overgelegd. Uit de wel voorhanden zijnde gegevens en uit de bij het College binnengekomen belastingsignalen blijkt dat op 1 januari 2003 en aan het eind van de jaren 2003 en 2004 telkens sprake was van een (totaal)tegoed op de bankrekeningen dat meer bedroeg dan het bedrag van de toepasselijke vermogensgrens. Evenmin als het College kan de Raad evenwel, wegens het ontbreken van een volledig overzicht van de banksaldi gedurende de periode van 30 maart 2003 tot 1 april 2005, vaststellen dat de banktegoeden over de gehele periode vanaf 30 maart 2003 de toepasselijke vermogensgrens hebben overschreden. Uit de beschikbare gegevens blijkt verder dat in deze periode sprake is geweest van contante stortingen van gelden op een of meer van de bankrekeningen en van overboekingen van de ene naar de andere rekening. Al met al kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellante toen verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden. De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting heeft dan ook tot gevolg gehad dat aan appellante ook over deze periode ten onrechte bijstand is verleend.

4.6. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand van appellante over de gehele in geding zijnde periode. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College in dit geval niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De terugvordering

4.7. Het College was gelet op het voorgaande tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot terugvordering van de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2005 gemaakte kosten van bijstand. Het College heeft gehandeld overeenkomstig het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen in de zin van dat beleid om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het enkele feit dat appellante - op haar leeftijd - gedurende lange tijd vast zal zitten aan een terugbetalingsverplichting is daarvoor onvoldoende. De Raad ziet ook in hetgeen voor het overige is aangevoerd, geen redenen op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien. Dat, zoals appellante nog naar voren heeft gebracht, na een over appellante uitgebracht reclasseringsrapport is afgezien van strafvervolging maakt het voorgaande niet anders, aangezien in dat kader een geheel andere belangenafweging wordt gemaakt.

De buiten behandelingstelling van de aanvraag

4.8. Voor het hier van belang zijnde wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.9. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door het College bij brief van 20 oktober 2005 gevraagde gegevens en bescheiden noodzakelijk waren voor een goede beoordeling van de aanvraag. Vaststaat voorts dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft verstrekt. Het College was dan ook op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd te besluiten om de aanvraag niet te behandelen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.10. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dat betekent dat er geen ruimte is voor inwilliging van het verzoek van appellante om veroordeling van het College tot schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.C.F. Talman en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.