Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
07-6506 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het zonder waarschuwing buiten behandeling stellen van een aanvraag is in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/239
JB 2009/204 met annotatie van A. Bots
JIN 2009/772 met annotatie van Bots
JIN 2009/747
RSV 2009/204
JWWB 2009, 177
AB 2009, 255 met annotatie van Redactie
NJB 2009, 1494
BA 2009/189
ABkort 2009/282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6506 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 oktober 2007, 06/3720 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling zijn - voor zover hier van belang - de bevoegdheden van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: College) met ingang van 1 mei 2007 overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug.

Namens appellante heeft mr. I.P.M. Boelens, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2009. Voor appellante is verschenen mr. Boelens. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door V.V. Tuchkova, werkzaam bij de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: RSD).

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante heeft zich op 19 april 2006 gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 19 mei 2006 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 29 mei 2006 in het gebouw van de RSD. Tevens is haar verzocht enkele specifiek aangeduide bescheiden mee te brengen. Appellante is verschenen en heeft een aantal van de gevraagde gegevens overgelegd. Vervolgens is haar bij brief van 29 mei 2006 verzocht om vóór 6 juni 2006 de nog ontbrekende stukken over te leggen.

1.3. Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het College de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellante niet heeft voldaan aan het verzoek om uiterlijk 5 juni 2006 de gevraagde gegevens te verstrekken.

1.4. Bij besluit van 5 oktober 2006 heeft het College het op 17 juli 2006 tegen het besluit van 12 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Nadien is aan appellante, na het indienen van een nieuwe aanvraag, alsnog met ingang van 17 juli 2006 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 oktober 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe is met name aangevoerd dat aan het besluit tot buitenbehandelingstelling geen waarschuwing is voorafgegaan. Het dagelijks bestuur heeft terzake als verweer gevoerd dat uit artikel 4:5 van de Awb niet kan worden afgeleid dat in de brief waarin de gelegenheid wordt gegeven de aanvraag aan te vullen uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het niet herstellen van het verzuim binnen de gestelde termijn tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag zal leiden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Niet in geschil is dat de door het College verlangde gegevens noodzakelijk zijn om de aanvraag van appellante inhoudelijk te kunnen beoordelen en evenmin dat appellante daarover de beschikking had. Vaststaat dat het College appellante er niet op heeft gewezen dat het niet tijdig verstrekken van nog ontbrekende bescheiden tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag kan leiden.

4.3. De tekst van artikel 4:5 van de Awb houdt niet in dat bij het bieden van de gelegenheid om ontbrekende gegevens over te leggen, moet worden aangegeven dat het niet tijdig nakomen daarvan buitenbehandelingstelling van de aanvraag tot gevolg kan hebben. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat die bepaling evenmin inhoudt dat het niet tijdig aanvullen van de aanvraag zonder meer tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag dient te leiden. Naar het oordeel van de Raad ligt het niet in de rede dat het bestuursorgaan de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid (om zaken vereenvoudigd af te doen) uitoefent zonder dat tevoren is aangegeven welke consequenties aan het niet tijdig indienen van aanvullende gegevens zijn verbonden.

De in het kader van een aanvraagprocedure door het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 van de Awb in acht te nemen zorgvuldigheid brengt mee, dat het bestuursorgaan dat de indiener van een aanvraag een als fataal bedoelde termijn stelt om een geconstateerd verzuim te herstellen, daarbij dient aan te geven dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat een buitenbehandelingstelling van de aanvraag zal volgen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat niet uitgesloten moet worden geacht dat, indien het College er uitdrukkelijk op zou hebben gewezen dat geen (verder) uitstel zou worden verleend en tevens zou hebben gewezen op de mogelijke consequentie van buitenbehandelingstelling, wel zorg zou zijn gedragen voor tijdig herstel van het verzuim. Het College heeft dit echter niet gedaan.

4.4. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit op bezwaar wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigen en bepalen dat het dagelijks bestuur een nieuw (thans: inhoudelijk) besluit op bezwaar neemt.

5. De Raad ziet aanleiding het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644, -- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 oktober 2006;

Bepaalt dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug;

Bepaalt dat de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

RB