Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
08-5193 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag elektische bediening van een (handmatig) in hoogte te verstellen keuken. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Ook in hoger beroep heeft appellante niet onderbouwd dat zij ten gevolge van ziekte of gebrek niet in staat is met behulp van de hendel de keuken in hoogte te verstellen. Evenmin is de Raad gebleken van omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet meer van appellante gevergd kan worden dat zij voor haar echtgenoot de keuken op de voor hem geschikte hoogte brengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5193 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2008, 07/3526, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: het College)

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Arslaner, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arslaner en haar echtgenoot. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. De echtgenoot van appellante, [v.E.], is volledig rolstoelafhankelijk als gevolg van een bovenbeenamputatie aan beide benen. Het College heeft bij besluit van 3 augustus 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) aan hem een voorziening toegekend in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing, welke is bepaald op € 11.032,05. Appellante en haar echtgenoot hebben in dat kader een handmatig in hoogte te verstellen keuken laten plaatsen. Appellante werd op dat moment, anders dan haar echtgenoot, door het College in staat geacht deze voorziening adequaat te bedienen.

1.2. Appellante heeft op 4 juli 2006 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een voorziening aangevraagd in de vorm van elektrische bediening van de keuken.

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft E.M.J. Schoonderwoerd, verzekeringsarts bij Argonaut Advies BV (hierna: Argonaut), op 20 december 2006 zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapportage indicatie Wvg. In deze rapportage is aangegeven dat er bij appellante weliswaar beperkingen aanwezig zijn, maar dat deze het treffen van de gevraagde voorziening niet noodzakelijk maken. Schoonderwoerd acht appellante ondanks haar chronische rugklachten in staat zelfstandig de hendel van de handmatig in hoogte te verstellen keuken te bedienen.

1.4. Bij besluit van 24 januari 2007 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen, omdat de gevraagde voorziening medisch niet noodzakelijk is.

1.5. Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het College, onder verwijzing naar het advies van Argonaut, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het College niet op het advies van Argonaut van 20 december 2006 heeft mogen afgaan. Appellante heeft op haar beurt geen medisch rapport of andere informatie overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het advies van Argonaut.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat het onderzoek verricht door de verzekeringsarts van Argonaut onzorgvuldig is geweest. Er heeft geen deugdelijk lichamelijk onderzoek plaatsgevonden en de arts van Argonaut heeft geen informatie bij de huisarts van appellante opgevraagd. Appellante zorgt al jaren voor haar echtgenoot, hetgeen aanvankelijk goed ging, omdat zij weinig lichamelijke klachten had. De laatste tijd gaat het echter moeilijk, omdat appellante last heeft van allerlei lichamelijke klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c ten eerste van de Wvg, voor zover hier van belang, definieert woonvoorziening als elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen.

4.3. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente ’s-Gravenhage de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: Vvg) vastgesteld.

4.4.1. Artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b en c luidde ten tijde in geding (voor zover van belang) als volgt:

“1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover: (…)

b. deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek op het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;

c. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.”

4.4.2. Artikel 2.1 van de Vvg bepaalt luidde ten tijde in geding (voor zover van belang) als volgt:

“1. De door burgemeester en wethouders te verlenen woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: (…)

b. Woningaanpassing (…).”

4.5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsarts van Argonaut, die in zijn rapportage van 20 december 2006 blijk heeft gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellante thuis heeft bezocht, de situatie aldaar heeft onderzocht en informatie heeft verkregen van de huisarts van appellante.

4.6. Hetgeen namens appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellante het beroep niet heeft onderbouwd met nadere (medische) gegevens die aanleiding zouden kunnen geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid en volledigheid van het onderzoek en de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts. Ook in hoger beroep heeft appellante niet onderbouwd dat zij ten gevolge van ziekte of gebrek niet in staat is met behulp van de hendel de keuken in hoogte te verstellen. Evenmin is de Raad gebleken van omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet meer van appellante gevergd kan worden dat zij voor haar echtgenoot de keuken op de voor hem geschikte hoogte brengt.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) B.E. Giesen.

IJ