Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
08-1579 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Interekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Het College heeft terecht aangenomen dat sprake was van een gezamelijke huishouding, zodat appellante en [S.] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw en artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB in de periode in geding als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante in die periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Nu tevens vaststaat dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het College bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand over de periode in geding in te trekken. geen sprake van dringende redenen, die het College noopten tot het afzien of beperken van de terugvordering. De Raad ziet daarin evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van zijn terugvorderingsbeleid, voor zover door de rechtbank gesanctioneerd, had moeten afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1579 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 januari 2008, 07/44 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deijkers. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand sinds juli 1991 naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In november 2002 heeft een zogenoemd periodiek heronderzoek plaatsgevonden. In de daarvan opgemaakte rapportage is onder meer het volgende te lezen:

“De cliënte sprak regelmatig over haar vriend. Zij verklaarde dat er geen sprake was van samenwoning. Hij heeft recent een operatie ondergaan en verblijft daarom regelmatig bij haar. Zij eten dan samen waarbij ze beiden de kosten voor hun rekening nemen. Rapportrice is er niet van overtuigd dat er geen gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en heeft de betrokkene uitgelegd wat dat begrip inhoudt. Bij het volgende heronderzoek hierop terugkomen.”

1.3. Naar aanleiding van een anonieme tip vond op 12 januari 2005 een huisbezoek plaats bij appellante. In de rapportage van 19 mei 2005 van dat huisbezoek is onder meer vermeld:

“De heer [S.] was aanwezig bij cliënte. Zijn autopapieren en shag haalt hij uit de la van het dressoir van cliënte vandaan. Hij voelt zich helemaal thuis. […] Mevrouw verklaart dat mijnheer hier niet woont. De heer [S.] slaapt regelmatig bij cliënte na een feestje en dergelijke. Er is kleding en aftershave op de stoel en nachtkastje aangetroffen. In de gang stond de fiets van de heer [S.] (nieuw). In de badkamer staan zowel dames- als herenspullen.”

en “Cliënte vertelt dat zij een 63-jarige vriend heeft […]. Hij komt bij cliënte wel eens langs en bekijkt dan reclamefolders. Deze heeft haar vriend zelf niet. […] Haar vriend douchet thuis. Er is aangegeven dat als haar vriend bij haar woont en er sprake is van een gezamenlijke huishouding dat cliënte dit moet melden. Cliënte geeft aan dat hier geen sprake van is.”

1.4. Naar aanleiding van een andere fraudemelding heeft de Sociale Recherche Noord-Holland Noord een opsporingsonderzoek ingesteld, waarbij appellante en [S.] als verdachten zijn aangemerkt. De Sociale Recherche heeft daarbij dossieronderzoek en waarnemingen verricht, openbare registers en waterverbruikgegevens van beide verdachten geraadpleegd en omwonenden van de opgegeven adressen van beide verdachten als getuigen gehoord. Appellante en [S.] zijn als verdachten verhoord op 25 april 2006. Van dit onderzoek en de verklaringen van de getuigen en verdachten zijn op ambtseed processen-verbaal opgemaakt. Het onderzoek is op 8 mei 2006 afgesloten.

1.5. Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot 1 mei 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 69.220,92 van appellante teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting niet heeft meegedeeld dat zij in die periode heeft samengewoond met [S.], en dat het recht op bijstand over die periode daardoor niet meer is vast te stellen.

1.6. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 november 2006 - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat er in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellante en [S.], dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College hiervan niet op de hoogte te stellen en dat dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand. Volgens de rechtbank gaat het beleid van het College inzake terugvordering van bijstand de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten, nu daarin niet - ten minste - is opgenomen dat in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering wordt afgezien. Daarom heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd. Omdat niet van dringende redenen is gebleken, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Het betoog dat de terugvordering gematigd moet worden in verband met het stilzitten van het College heeft de rechtbank verworpen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor de weergave van de relevante wettelijke bepalingen omtrent de gezamenlijke huishouding naar rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de verklaringen van appellante en [S.], en van de getuigen, uitgebreid geciteerd. Zij is op basis van deze verklaringen tot het oordeel gekomen, dat appellante en [S.] in de relevante periode een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg. De Raad verenigt zich met dit oordeel en overweegt daartoe verder nog als volgt.

4.3. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Anders dan appellante in de aangevallen uitspraak leest, heeft de rechtbank niet overwogen dat appellante en [S.] in de relevante periode uitsluitend in haar woning hoofdverblijf hebben gehouden. De rechtbank heeft immers overwogen dat appellante en [S.] af en toe ook samen in de woning van [S.] verbleven. Aldus is aan het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf voldaan.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient voorts de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Daarom komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat appellante de relatie tussen haar en [S.] en de wijze waarop zij die in de relevante periode hebben vormgegeven, niet ziet als samenwoning, terwijl [S.] dat anders zag.

4.5. Het betoog van appellante dat uit de getuigenverklaringen niet kan volgen dat de gezamenlijke huishouding al op 1 januari 2001 is aangevangen, en dat zij en [S.] daaromtrent verschillend verklaard hebben, kan haar niet baten. Aan de verklaringen van appellante en [S.] komt in dit verband doorslaggevende betekenis toe. Zij hebben verklaard dat de aard van hun relatie en de wijze waarop zij die vormgaven, in de loop van de tijd niet gewijzigd is. Appellante heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Nu appellante de aanvang van deze relatie verder in de tijd teruglegt dan [S.], kan dan ook in ieder geval vanaf de datum die [S.] aanduidt, te weten 1 januari 2001, een gezamenlijke huishouding worden aangenomen.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het College terecht heeft aangenomen dat sprake was van een gezamelijke huishouding, zodat appellante en [S.] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw en artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB in de periode in geding als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante in die periode niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Nu tevens vaststaat dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, was het College bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand over de periode in geding in te trekken.

4.7. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

4.9. Onder omstandigheden kan het langdurig stilzitten van het College gevolgen hebben voor de vraag of het College in redelijkheid kan overgaan tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Daarvoor is naar vaste rechtspraak van de Raad geen plaats indien er sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Het betoog van appellante dat het College allang op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding, veel eerder verder onderzoek had moeten doen en veel eerder had moeten ingrijpen, en dat de terugvordering, omdat die door het stilzitten van het College nodeloos ver is opgelopen, moet worden beperkt, volgt de Raad niet. Op appellante rustte immers de verplichting om het College volledig en juist in te lichten over het bestaan en de aard van de relatie met [S.]. Het College heeft, zoals hiervoor onder 1.2 en 1.3 is vastgesteld, bij herhaling aan appellante vragen gesteld over die relatie, voorlichting gegeven over de toepasselijke regels en appellante gewezen op haar inlichtingenverplichting. Appellante heeft het bestaan van een gezamenlijke huishouding steeds ontkend en heeft daarmee haar inlichtingenverplichting geschonden.

4.10. De door appellante aangevoerde omstandigheden vormen voorts geen dringende redenen, die het College noopten tot het afzien of beperken van de terugvordering. De Raad ziet daarin evenmin bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van zijn terugvorderingsbeleid, voor zover door de rechtbank gesanctioneerd, had moeten afwijken. De rechtbank heeft daarom terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

4.11. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NW