Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
07-6221 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding: (mede-)terugvordering bijstand. Verklaring van appellant en parner ten overstaan van de sociale recherche. Voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6221 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 september 2007, 07/265 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W.A. Offermanns, advocaat te Zeewolde, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2009. Namens appellant is verschenen mr. Offermanns. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Hagenbeek, werkzaam bij de gemeente Putten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was, samen met zijn toenmalige partner, [B.] (hierna: [B.]), woonachtig te [plaatsnaam] op het adres [adres]. Appellant was ook eigenaar van die woning. In verband met de beëindiging van de samenwoning is [B.], op haar verzoek, vanaf 7 september 2005 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant heeft zich per 27 september 2005 ingeschreven op het adres van zijn ouders te [plaatsnaam], [adres 2]. [B.] is in de woning te [plaatsnaam] blijven wonen tot 5 mei 2006, de dag waarop die woning in verband met de verkoop leeg is opgeleverd.

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat [B.] samenwoonde met appellant heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [B.] verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, is een huisbezoek aan de woning te [plaatsnaam] gebracht, zijn [B.] en appellant verhoord en heeft een anonieme buurtbewoner een tweetal verklaringen afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 mei 2006. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om de aan [B.] verleende bijstand over de periode van 11 november 2005 tot 1 april 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.941,20 van [B.] terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat [B.] gedurende de betreffende periode, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant. Het beroep van [B.] tegen het betreffende besluit op bezwaar is ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 19 juni 2006 heeft het College de kosten van de aan [B.] verleende bijstand tot een bedrag van € 4.941,20 mede van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 4 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 januari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd op de grond dat het op een onjuiste wettelijke grondslag berust en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [B.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd. Volgens deze bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijkt geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria, zodat de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant en [B.] in de hier van belang zijnde periode van 11 november 2005 tot 1 april 2006 hun hoofdverblijf hadden in de woning van [B.]. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant op 9 mei 2006 ten overstaan van de sociale recherche onder meer heeft verklaard dat hij aanvankelijk drie tot vier nachten per week bij [B.] verbleef, maar dat hij daar vaker kwam vanaf 11 november 2005. Appellant had een sleutel van de woning en een eigen slaapkamer. Zijn spullen lagen er ook nog, aldus de verklaring van appellant, die is vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Hoewel appellant die verklaring niet heeft ondertekend, blijkt uit het proces-verbaal dat appellant, nadat zijn verklaring hem vanaf een beeldscherm was voorgelezen, wel te kennen heeft gegeven het met de inhoud daarvan eens te zijn.

4.4. De verklaring van appellant vindt steun in de verklaring die [B.] tijdens het huisbezoek te [plaatsnaam] op 21 april 2006 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd. Ook [B.] heeft verklaard dat de meeste spullen van appellant, zoals kleding en toiletartikelen, zich daar bevonden, dat appellant ongeveer drie keer per week, ’s avonds en ’s nachts, bij haar in de woning was en dat appellant vanaf 11 november 2005 vaker bij haar kwam. Ook de verklaring van [B.] is vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Uit dit proces-verbaal blijkt dat die verklaring in concept is opgenomen en aan [B.] is voorgelezen, dat [B.] zich met de inhoud daarvan heeft kunnen verenigen en dat zij deze heeft ondertekend.

4.5. Namens appellant zijn in hoger beroep en in het bijzonder ter zitting van de Raad nadere omstandigheden geschetst omtrent zijn woon- en leefsituatie en zijn autobezit ten tijde hier van belang. Die omstandigheden zijn niet in overeenstemming met de vorenbedoelde verklaringen van appellant en [B.], zijn niet eerder ter sprake gebracht dan in hoger beroep en vinden overigens geen steun in de beschikbare gegevens, zodat de Raad daaraan voorbij gaat.

4.6. Voorts is naar het oordeel van de Raad voldoende gebleken dat ook is voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg. Uit de in 4.3 en 4.4 genoemde verklaringen blijkt onder meer dat appellant de hypotheeklasten van de woning betaalde en zijn gehele woning en inboedel aan [B.] ter beschikking stelde totdat die woning zou worden verkocht. [B.] betaalde ongeveer € 250,-- per maand voor gas, elektra en water. Voorts deed [B.] de was voor appellant.

4.7. Op grond van de beschikbare gegevens komt ook de Raad tot de conclusie dat appellant en [B.] in de hier van belang zijnde periode met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Nu tevens vaststaat dat [B.] dit niet heeft gemeld en daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is met het vorenstaande gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [B.] verleende bijstand tot een bedrag van € 4.941,20 mede van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering.

4.8. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) J. Waasdorp.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.