Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
07-3317 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogen uit erfenis. Aanspraak op een erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden van de erflater. Terugvordering bijstand. Voorbijgaan aan bewijsaanbod door de rechtbank. Schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3317 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 mei 2007, 06/635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Braun, advocaat te Hoogezand, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.A. Jonker-van Dijk, kantoorgenoot van mr. Braun. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Assmann, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Ter zitting is de door appellant meegebrachte getuige, [D.], wonende te [woonplaats], gehoord.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Op 11 april 2002 is de moeder van appellant overleden.

1.2. Op 3 maart 2003 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand. Op het aanvraagformulier heeft appellant (voor zover hier van belang) vermeld dat hij verwacht binnenkort vermogen te ontvangen uit een erfenis en dat sprake is van leningen.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2003 heeft het College per 3 maart 2003 aan appellant bijstand toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%. Daarbij is aangegeven dat het vermogen van appellant, in afwachting van een nalatenschap, op een later tijdstip wordt vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 ontvangt appellant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.4. Op 14 april 2005 heeft appellant zijn aandeel in de erfenis ontvangen. Daarop heeft het College bij besluit van 10 november 2005 met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de vanaf 3 maart 2003 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.488,69 teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 november 2005 ongegrond verklaard, maar wel het terug te vorderen bedrag verminderd tot € 20.127,35. Bij de berekening van de terugvordering heeft het College het aandeel van appellant in de nalatenschap vastgesteld op € 25.232,35.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat naar zijn oordeel de rechtbank aan het door appellant eerst ter zitting gedane bewijsaanbod voorbij heeft kunnen gaan en heeft kunnen besluiten het onderzoek in de zaak niet te heropenen teneinde de broer van appellant als getuige op te roepen, reeds omdat dat bewijsaanbod ter zitting van de rechtbank niet met concrete feiten en omstandigheden is ondersteund waarin de rechtbank aanleiding had moeten zien om te oordelen dat het onderzoek niet volledig was geweest en diende te worden heropend. De Raad wijst er in dit verband op dat de rechtbank al beschikte over een door appellant in bezwaar ingebrachte schriftelijke verklaring van zijn broer en dat niets appellant ervan had behoeven te weerhouden om zelf zijn broer (tijdig) als getuige aan te kondigen voor de zitting van de rechtbank. De grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte aan het bewijsaanbod voorbij is gegaan slaagt dan ook niet. Ten gronde overweegt de Raad als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het College van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

4.3. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn gemaakt indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter dat aan de WWB ten grondslag ligt.

4.4. Of het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bevoegd is tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand hangt af van het antwoord op de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vermogensgrens het vrij te laten vermogen overschrijden.

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2007, LJN AZ6498) ontstaat de aanspraak op een erfdeel - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB - op het tijdstip van overlijden van de erflater, in dit geval op 11 april 2002.

4.6. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5325) kunnen bedoelde aanspraken zowel voor als na de aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan. Ligt het tijdstip waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan vóór de aanvang van de bijstandsverlening, dan is de situatie bij de aanvang van de bijstandsverlening beslissend. Is dat niet het geval, dan geldt als peildatum de dag waarop de aanspraken op de desbetreffende middelen zijn ontstaan.

4.7. Onbetwist is dat appellant in de hier in geding zijnde periode, die loopt van 3 maart 2003 tot 14 april 2005, aanspraak had op een aandeel in een nog onverdeelde boedel en tevens dat dit een periode betreft waarover hem bijstand is verleend. Vast staat voorts dat appellant op 14 april 2005 feitelijk de beschikking heeft gekregen over zijn deel van de nalatenschap. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College het deel van appellant in de nalatenschap terecht heeft vastgesteld op een bedrag van € 25.232,35, zijnde het aan appellant toekomende deel van de boedelrekening (€ 23.871,01) en de waarde van het aan appellant toebedeelde jachtje [naam jachtje] (€ 1.361,34). Vanaf 14 april 2005 is dan ook sprake van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend.

4.8. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het College ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem opgevoerde schulden overweegt de Raad als volgt.

4.8.1. Naar vaste jurisprudentie van de Raad kan ter bepaling van de vermogenssituatie van een bijstandsgerechtigde slechts rekening worden gehouden met een schuld voor zover deze in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en voor zover aan die schuld ook een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.8.2. Aangezien slechts rekening kan worden gehouden met schulden die bij de aanvang van de bijstandsverlening bestonden, zal slechts ten aanzien van de volgende door appellant opgevoerde schulden worden beoordeeld of voldaan is aan de beide hiervoor vermelde criteria: de schulden aan zijn broer [D.] van 14 december 2000 (ƒ 1.800,--/€ 816,80), 6 januari 2002 (€ 2.000,--) en 28 maart 2002 (€ 4.200, --), de gestelde schulden aan [P.] en [D.] van 28 januari 2001 (ƒ 2.500,--/€ 1.134,45) en 7 september 2001 (ƒ 6.000,--/€ 2.722,68) en de gestelde schuld aan [M.] van 31 januari 2003 (€ 4.500,--).

4.8.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant de onder 4.8.2 genoemde schulden niet in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant op het aanvraagformulier van 3 maart 2003 heeft aangegeven dat de geldleningen nog niet goed op papier staan. Bovendien blijkt uit het Rapport aanvraag Abw van 23 mei 2003 dat appellant tijdens de intake op 27 maart 2003 heeft aangegeven dat de geldleningen mondelinge afspraken betreffen, die niet zwart op wit staan. De in bezwaar overgelegde schuldbekentenissen acht de Raad in dit verband dan ook onvoldoende overtuigend, mede gelet op het feit dat niet met objectieve en verifieerbare gegevens is aangetoond dat en op welke wijze het geld destijds aan appellant ter hand is gesteld. Dat inmiddels is vast komen te staan dat appellant de onder

4.8.2 vermelde bedragen feitelijk (via bank en contant) heeft terugbetaald maakt dit niet anders, nu uit de zich onder de gedingstukken bevindende bankafschriften niet blijkt dat de terugbetaling heeft plaatsgevonden ten titel van aflossing van de (gestelde) schulden. Aan de door de broer van appellant ter zitting van de Raad afgelegde verklaring dat de schuldbekentenissen daadwerkelijk zijn opgemaakt op de daarop vermelde data gaat de Raad in het licht van het vorenstaande dan ook voorbij.

4.8.4. Overigens is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een aan de schulden verbonden daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. De in de schuldbekentenissen opgenomen bepalingen dat appellant de schulden ‘zo spoedig mogelijk’ dan wel ‘bij de eerst volgende gelegenheid’ dient terug te betalen acht de Raad in dit verband onvoldoende concreet. Dat appellant , naar hij stelt, had afgesproken dat hij de schulden zou aflossen zodra hij zijn deel van de nalatenschap had ontvagen, blijkt in ieder geval niet uit de schriftelijke verklaringen.

4.9. Gelet op hetgeen de Raad onder 4.8.3 en 4.8.4 heeft overwogen, heeft het College terecht geen rekening gehouden met de door appellant gestelde schulden. Nu voorts vast staat dat het in 4.7 genoemde bedrag aan middelen van € 25.232,35 de door het College gehanteerde vermogensgrens van € 5.105,-- ruimschoots overschrijdt, was het College bevoegd om tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 3 maart 2003 tot en met 14 april 2005 over te gaan.

4.10. Blijkens de Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand ziet het College (slechts) van terugvordering af indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 113,45 of indien daarvoor een dringende reden aanwezig is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het feit dat appellant als gevolg van de terugvordering schulden blijft houden niet aangemerkt kan worden als een dringende reden in de zin van deze beleidsregels. Ook de door appellant gestelde slechte gezondheidssituatie, waarbij hij stress moet vermijden, kan niet als zodanig gelden. De Raad stelt dan ook vast dat het College in overeenstemming met zijn beleidsregels heeft gehandeld.

4.11. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad evenmin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van zijn beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.12. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) J. Waasdorp.

NW