Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
08-3398 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Raad acht het standpunt van verweerster dat er geen medische indicatie is voor meer dan 104 behandelingen fysiotherapie en/of hydrotherapie (therapeutisch zwemmen) onvoldoende gemotiveerd. De brieven van de behandelend orthopedisch chirurgen d.d. 3 en 6 september 2007(...) geven aan dat zij twee keer per week fysiotherapie en daarnaast twee tot drie keer per week hydrotherapie noodzakelijk achten. Ten onrechte wordt in het advies van verweersters medisch adviseur gesteld dat blijkens informatie van de orthopeed twee behandelingen per week medisch geïndiceerd zijn. Gelet op deze tegenstrijdigheid had verweerster het advies van haar medisch adviseur niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3398 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Israël (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 maart 2008, kenmerk BZ 47501, JZ/T70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellant is, zoals te voren bericht, niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1942 te Amsterdam, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat appellant ziekten en gebreken heeft, te weten hersen-schudding, rugbeschadiging, flauwvallen en psychische klachten, welke door of in verband met de ondergane vervolging zijn ontstaan of verergerd.

1.2. Aan appellant is bij besluit van verweersters rechtsvoorgangster, de Uitkeringsraad, van 16 december 1976 op grond van artikel 20 van de Wet met ingang van 1 maart 1974 vergoeding verleend voor fysiotherapeutische behandeling met betrekking tot zijn rugklachten.

1.3. Ten tijde hier van belang ontving appellant - voor de jaren 1986 tot 1991 toegekend bij besluit van 31 oktober 1990 - vergoeding voor een zwemabonnement in verband met de door de vervolging ontstane rugklachten, welk zwemabonnement bij besluit van 22 maart 1991 nog is verlengd tot juni 1996. Naar aanleiding van een vervolgaanvrage is bij beslissing van 14 maart 2001 de vergoeding voor het zwemabonnement verlengd tot juni 2006, welk abonnement bij beslissing van 28 april 2006 nogmaals werd verlengd tot 1 januari 2009.

Bij besluit van 4 november 1999 is voor de jaren 1999 tot en met 2003 toegekend vergoeding voor een badkuur (balneotherapie) te Tiberias of aan de Dode Zee inclusief het daarmee samenhangend vervoer gedurende tweemaal twee weken per jaar. Deze balneotherapie is op aanvraag bij besluit van 3 maart 2004 verlengd in de jaren 2004 tot en met 2008.

1.4. De door appellant in december 2006 verzochte vergoeding voor therapeutisch zwemmen (hydrotherapie) heeft verweerster bij besluit van 9 februari 2007 met ingang van 1 december 2006 toegekend. Deze vergoeding geldt voor 52 keer zwemmen onder begeleiding van een fysiotherapeut ter behandeling van de in verband met de vervolging staande psychische klachten, rugklachten en flauwvallen.

1.5. Naar aanleiding van een door appellant in mei 2007 ingediend verzoek om de vergoeding voor hydrotherapie nogmaals te verlengen heeft verweerster bij besluit van 4 oktober 2007 met ingang van 1 mei 2007 die vergoeding toegekend voor maximaal 104 behandelingen. Een vergoeding voor hydrotherapie over méér jaren is bij dat besluit geweigerd. Verweerster heeft hierbij overwogen dat gelet op het eerder aan appellant toegekende zwemabonnement, balneotherapie en fysiotherapie, deze vormen van therapie elkaar aanvullen. Gelet op het geldende beleid is er geen medische indicatie voor toekenning van fysiotherapie naast de thans toegekende hydrotherapie. De hydrotherapie is toekenbaar mits het “gewoon” zwemmen niet meer wordt gedeclareerd.

1.6. Een door appellant tegen dat besluit gemaakt bezwaar is door verweerster bij het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Toegekend is een vergoeding voor hydrotherapie in combinatie met een vergoeding voor fysiotherapie, tot maximaal 104 behandelingen per jaar (twee behandelingen per week). Voor de behandelingen hydrotherapie is de ingangsdatum 1 mei 2007. Het bezwaar is ongegrond verklaard voor wat betreft het therapeutisch zwemmen zonder beperking in de tijd. Verweerster heeft hierbij overwogen dat appellant een vergoeding ontvangt voor in totaal 104 behan-delingen voor ofwel fysiotherapie, ofwel therapeutisch zwemmen, ofwel een combinatie van beiden. Het is appellant niet toegestaan meer dan in totaal 104 behandelingen per jaar te declareren voor fysio- en hydrotherapie samen. Een vergoeding voor méér dan 104 behandelingen per jaar is niet mogelijk, omdat de medische noodzaak voor het therapeutisch zwemmen regelmatig dient te worden vastgesteld.

1.7. In bezwaar en beroep heeft appellant aangevoerd dat hem in het verleden bij beschikkingen balneotherapie, een zwemabonnement en fysiotherapie zijn toegekend. In 2006 is het zwemabonnement omgezet in therapeutisch zwemmen onder begeleiding van een fysiotherapeut. Appellant geeft aan dat hij twee keer per week onder behandeling is van een fysiotherapeut en daarnaast zeer regelmatig zwemt. Op deze manier is er geen sprake van drie therapieën tegelijk, maar van twee. Appellant stelt dat met het besluit de rechtszekerheid wordt aangetast nu een wijziging van een besluit op medische gronden slechts mag worden genomen nadat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

2. De Raad moet de vraag beantwoorden of dit besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte stand houdt.

2.1. Verweerster heeft bij het bestreden besluit in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur aan appellant een vergoeding voor therapeutisch zwemmen (hydrotherapie) toegekend in combinatie met een vergoeding voor fysiotherapie, tot een maximum van 104 behandelingen per jaar.

2.2. Van de zijde van appellant zijn attesten gedateerd 3 september 2007 respectievelijk 6 september 2007 ingestuurd van dr. Paul Translateur, orthopedisch chirurg te Hod HaSharon, respectievelijk dr. Rami David, orthopedisch en wervelkolom chirurg te Jerusalem, beiden te Israël, waaruit blijkt dat aan appellant voor de langere termijn een behandeling is voorgeschreven van twee keer per week fysiotherapie, drie maal per week hydrotherapie onder supervisie van een therapeut en twee maal per jaar twee weken intensieve balneotherapie.

2.3. De Raad acht het standpunt van verweerster, gebaseerd op het advies van haar medisch adviseur, dat er geen medische indicatie is voor meer dan 104 behandelingen fysiotherapie en/of hydrotherapie (therapeutisch zwemmen) onvoldoende gemotiveerd. De brieven van de behandelend orthopedisch chirurgen d.d. 3 en 6 september 2007, waarover de medisch adviseur van verweerster de beschikking had, geven aan dat zij twee keer per week fysiotherapie en daarnaast twee tot drie keer per week hydrotherapie noodzakelijk achten. Ten onrechte wordt in het advies van verweersters medisch adviseur gesteld dat blijkens informatie van de orthopeed twee behandelingen per week medisch geïndiceerd zijn.

Gelet op deze tegenstrijdigheid had verweerster het advies van haar medisch adviseur niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Naar het oordeel van de Raad had het onder deze omstandigheden tevens voor de hand gelegen dat verweerster zou hebben bevorderd dat een onafhankelijk medisch onderzoek zou worden ingesteld naar de omvang van de voor appellant noodzakelijke behandelingen fysiotherapie en/of hydrotherapie. In dit opzicht is het bestreden besluit ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

2.4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

3. De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten aan de zijde van appellant welke voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op het bezwaar van appellant zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD