Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
08-705 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Verstoorde arbeidsverhoudingen. Uitbetaling van openstaande vakantie-uren. Outplacementtraject. De Raad oordeelt dat niet is aangetoond dat het appellante is geweest aan wie het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen in overwegende mate moet worden toegeschreven; uit de gedingstukken blijkt veeleer het tegendeel. De Raad is dan ook van oordeel dat, gezien zijn aandeel in ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen, de raad van bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de reguliere ontslaguitkering en het daarnaast beschikbaar stellen van een bedrag van € 15.000,- ten behoeve van outplacementactiviteiten. Dit bedrag zag immers slechts op compensatie voor het voortijdig afbreken van de toegezegde herplaatsingsinpanningen. Het hoger beroep is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de bij het ontslag getroffen regeling niet onvoldoende heeft geacht.De Raad zal zelf in de zaak voorzien en op dit onderdeel bepalen dat de raad van bestuur aan appellante in aanvulling op het reeds toegekende, een bedrag van € 10.000,- uitbetaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/705 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2007, 07/608 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam (hierna: raad van bestuur)

Datum uitspraak: 18 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.P.A. Nawijn, advocaat te Zoetermeer. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Nordsiek en drs. N.M. van der Leeden, beiden werkzaam bij het Erasmus MC.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is in 1992 in dienst getreden als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] bij het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, locatie [naam locatie]. Na enkele lang-durige periodes van ziekte in 1996 en 1998, in verband waarmee appellante korte tijd een WAO-uitkering ontving, en onenigheid over de vraag of zij al dan niet kon re-integreren in haar eigen werk, is appellante per 1 juli 2000 volledig hersteld verklaard voor eigen werk en uiteindelijk - blijkens verslagen van jaargesprekken in 2001 en 2002 - succesvol in haar eigen werk gere-integreerd.

1.2. In het najaar 2004 is appellante opnieuw arbeidsongeschikt geworden. In de daarop volgende maanden is appellante tweemaal in het ziekenhuis opgenomen. In diezelfde periode zijn er problemen geweest met de bereikbaarheid van appellante, waarbij zij niet reageerde op oproepen van het unithoofd L en ook enkele keren niet verscheen bij de bedrijfsarts. Begin april 2005 heeft het unithoofd de politie in de woonplaats van appellante verzocht een onderzoek in te stellen. Hierna heeft op 8 april 2005 een gesprek met appellante plaatsgevonden waarin L haar heeft aangesproken op haar bereikbaarheid en het niet nakomen van afspraken. Tevens heeft L haar meegedeeld dat re-integratie niet kan plaatsvinden op haar eigen werkplek, maar elders in het Erasmus MC of buiten het Erasmus MC. Appellante heeft ontkend dat ze onbereikbaar was; ze had haar direct leidinggevende, de coördinerend [naam functie] H, doorgegeven dat ze een nieuw mobiel telefoonnummer had en ook heeft ze aan H gevraagd de bedrijfsarts in te lichten. H is echter het briefje met het nummer kwijtgeraakt. In een schriftelijk reactie op het gespreksverslag heeft appellante nogmaals uiteengezet hoe zij haar bereikbaarheid heeft gemeld.

1.3. Per 11 april 2005 is appellante ter re-integratie voor de duur van vijf weken tewerkgesteld in de Daniël den Hoed Kliniek (hierna: DDHK). Op 11 mei 2005 heeft L, naar aanleiding van gesprekken die zij tijdens ziekte van appellante met haar collega’s had gevoerd, appellante aangesproken op haar gedrag en werkhouding. Appellante zou roddelen en onrust stoken en haar privézaken met collega’s bespreken. Voorts is gesproken over de wijze waarop onderlinge irritaties zouden moeten worden opgelost. In een schriftelijke reactie heeft appellante aangegeven dat ze graag wil meewerken aan verbetering van de sfeer op de afdeling; ze heeft echter ontkend zich aan roddel en stoken schuldig te maken.

1.4. Op 5 juli 2005 heeft op initiatief van L overleg plaatsgevonden met de collega’s van appellante over een eventuele terugkeer van appellante op de afdeling en de zorg die daarover bij de medewerkers bestaat. In een vervolggesprek op 8 juli 2005 zijn mogelijke alternatieven besproken en hebben de collega’s zich op verzoek van L uitgesproken over een terugkeer van appellante op haar werkplek. Daarbij bleek dat het merendeel van de collega’s tegen de terugkeer van appellante was, omdat ze terugkeer van een slechte werksfeer vreesden.

1.5. Naar aanleiding van een onaangenaam verlopen telefoongesprek op 2 augustus 2005, waarin appellante L zou hebben beschuldigd van pesten en intimideren, heeft L in overleg met het hoofd van de afdeling Pathologie op 8 september 2005 een klacht over appellante ingediend. In september 2005 heeft appellante niet gereageerd op een aangetekend ver-zonden uitnodiging voor een voortgangsgesprek. Ook verscheen zij niet bij de bedrijfs-arts. In verband daarmee heeft L op 29 september 2005 opnieuw de politie ingeschakeld. Bij gesprekken op 30 september en 5 oktober 2005 hebben L en appellante beiden geconstateerd dat het gezien de inmiddels verstoorde werkrelatie beter is om niet met elkaar verder te gaan. Meegedeeld is dat gezocht zal worden naar mogelijkheden om appellante extern te herplaatsen. Per 4 november 2005 is appellante aangemeld bij het loopbaancentrum met het verzoek om haar gedurende een jaar te begeleiden naar een passende functie extern.

1.6. Nadat appellante tweemaal niet verschenen was bij het loopbaancentrum is appellante gewaarschuwd dat zij zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim. Appellante heeft via haar gemachtigde laten weten dat ze geen behoefte heeft aan een loopbaangesprek omdat ze arbeidsongeschikt is.

1.7. Bij brief van 12 december 2005 is appellante het voornemen kenbaar gemaakt om haar met toepassing van artikel 12.12 van de CAO-UMC per 1 februari 2006 te ontslaan. Daarbij is haar een ontslaguitkering gegarandeerd. In de brief is onder meer vermeld dat haar collega’s haar in 1999 al liever niet zagen terugkeren op de afdeling. Tijdens de volgende ziekteperiode van appellante eind 2004 was vastgesteld dat de sfeer op de afdeling was verbeterd sinds appellante er niet meer was. Voorts is aan het voornemen ten grondslag gelegd dat appellante zelf meermalen had aangegeven geen vertrouwen in unithoofd L te hebben. Na daartegen ingediende bedenkingen heeft de raad van bestuur bij besluit van 19 januari 2006 aan appellante kenbaar gemaakt tot uitvoering van het voornemen over te gaan.

1.8. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft de raad van bestuur besloten dat van het saldo vakantie-uren op grond van de CAO slechts 336 uren kunnen worden uitbetaald, dat het uit te betalen bedrag is vastgesteld op € 5.107,20 en dat dit in maart 2006 zal worden uitbetaald, onder verrekening van eventueel teveel betaald salaris.

1.9. Beide besluiten zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, met enige aanpassingen op advies van de Bezwarenadviescommissie, waaronder beschikbaarstelling van € 15.000,- ten behoeve van een outplacementtraject, gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 7 december 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer over-wogen dat de wijze van communiceren van appellante tot veel misverstanden heeft geleid en in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortduren van de verstoorde arbeidsverhouding, zodat er geen omstandigheden aanwezig zijn die moeten leiden tot een hogere dan de toegekende uitkering. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de CAO-UMC geen hardheidsclausule of andere uitzonderingsbepaling kent, zodat op goede gronden is besloten tot uitbetaling van het maximum aantal verlofuren van 336.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met betrekking tot de uitbetaling van openstaande vakantie-uren onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad kan slechts vaststellen dat hoofdstuk 7 van de CAO-UMC geen hardheidsclausule kent die het mogelijk maakt om bij ontslag meer dan tweemaal de aanspraak op vakantie over een vol kalenderjaar uit te betalen.

3.2. Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat het hoge tegoed aan verlofuren niet zozeer te maken had met niet opgenomen vakantiedagen; zij had in verband met de

36-urige werkweek eenmaal per twee weken een vrije dag, maar in verband met personeelstekort werd haar met grote regelmaat verzocht om op zo’n vrije dag toch te werken. De aldus teveel gewerkte uren werden bijgeschreven op haar verlofkaart. De Raad stelt dienaangaande vast dat uit de beschikbare vakantie- en verlofkaarten niet blijkt op welke als roostervrij ingeplande dagen appellante toch heeft gewerkt zonder die dagen te kunnen compenseren, waardoor zij aanspraak zou kunnen maken op uitbetaling daarvan met toepassing van artikel 4.7.6.1. van de CAO UMC. Appellante heeft haar stelling derhalve onvoldoende onderbouwd.

3.3. Met betrekking tot het ontslag stelt de Raad voorop dat hij er evenals de rechtbank van uitgaat dat niet in geschil is dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Tot die conclusie zijn partijen in het najaar van 2005 gezamenlijk gekomen en uit de geding-stukken blijkt ook dat er al veel langer sprake was van een gespannen verhouding met - in het bijzonder - het unithoofd. Het ontslag is op die verstoorde relatie gebaseerd en appellante heeft die grondslag voor het ontslag bij de rechtbank niet betwist. Blijkens het beroepschrift bij de rechtbank is appellante vooral van mening dat het de werkgever is die schuld draagt aan de verstoring van de verhoudingen. Ook de Raad concludeert dus dat de raad van bestuur op die grond bevoegd was om tot ontslag van appellante over te gaan.Tevens stelt de Raad vast dat de CAO-UMC bij een ontslag op andere gronden geen opzegtermijn voorschrijft.

3.4. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank omtrent het besluit-karakter van de brief van de raad van bestuur van 19 januari 2006. Zoals de Bezwaren-adviescommissie reeds heeft geconstateerd vertoonde deze brief weliswaar enkele tekortkomingen, maar die konden in de beslissing op bezwaar worden hersteld en dat is ook gebeurd. De Raad maakt de overwegingen van de rechtbank op dit onderdeel tot de zijne.

3.5. Uit het advies van de Bezwarenadviescommissie komt voorts naar voren dat die commissie op twee gronden heeft geadviseerd om over te gaan tot heroverweging van de in het besluit van 19 januari 2006 toegekende ontslaguitkering; in de eerste plaats omdat het voortbestaan van de verstoorde verhoudingen mede aan het bevoegd gezag kon worden verweten nu niet duidelijk kon worden gemaakt hoe sinds 2000 opnieuw verstoorde verhoudingen zijn ontstaan, op welke wijze is getracht tot normalisering van de verhoudingen te komen en welke pogingen zijn gedaan om appellante tot een gewenste correctie van haar gedrag te brengen. In de tweede plaats heeft de Bezwaren-adviescommissie tot heroverweging geadviseerd omdat zonder behoorlijke motivering het onderzoek naar externe herplaatsingsmogelijkheden voortijdig was beëindigd.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de raad van bestuur als aanvulling op de reguliere ontslaguitkering een bedrag van maximaal € 15.000,- beschikbaar heeft gesteld voor outplacement. Ter zitting is namens de raad van bestuur meegedeeld dat genoemd bedrag een doeluitkering is, en dat daaruit geen erkenning van schuld aan het voortbestaan van de verstoorde verhoudingen kan worden afgeleid. Daarmee heeft de raad van bestuur het advies van de Bezwarenadviescommissie met name op de tweede grond gevolgd.

3.6. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2001, LJN AD3438 en TAR 2001, 122) kan de rechter in gevallen als het onderhavige slechts tot het oordeel komen dat een uitkeringsregeling op het niveau van een reguliere ontslaguitkering onvoldoende is, indien komt vast te staan dat het de raad van bestuur is geweest die een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid, of indien gezegd zou moeten worden dat de raad van bestuur met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkering die niet uitgaat boven het niveau van een reguliere ontslaguitkering, niet redelijk heeft kunnen achten.

3.7. Met betrekking tot de vraag of met de feitelijk toegekende uitkering, ter hoogte van een reguliere ontslaguitkering met daarnaast een budget voor outplacementactiviteiten, kon worden volstaan gezien het aandeel van beide partijen in ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding, overweegt de Raad het volgende.

3.8. Uit de gedingstukken blijkt met regelmaat van communicatiestoornissen, daarin bestaande dat appellante niet altijd reageerde op brieven en ook telefonisch niet altijd bereikbaar was. Tengevolge daarvan gaf zij niet altijd gehoor aan opdrachten of verzoeken van het unithoofd en kwam zij niet altijd opdagen bij de bedrijfsarts. De Raad meent dat appellante niet voor alle gevallen een bevredigende verklaring heeft gegeven.

3.9. Aan de andere kant moet echter worden vastgesteld dat telkens als appellante na een periode van ziekte weer arbeidsgeschikt was om haar werkzaamheden te hervatten, zij daarin eerder tegenwerking dan medewerking ondervond, zonder dat de Raad daarvoor in de gedingstukken een onderbouwde verklaring heeft aangetroffen. In dat verband merkt de Raad op dat in de gedingstukken weliswaar herhaaldelijk wordt gesteld dat appellante een negatieve invloed had op de sfeer op het werk omdat zij zich schuldig maakt aan roddelen en stoken, maar concreet benoemde gedragingen en incidenten waarop die verwijten zijn gebaseerd zijn in de gedingstukken niet te vinden. Het enige genoemde voorbeeld van de e-mail van appellante van 11 april 2005 waarin zij aan een collega bericht: “ik ben nu in DDHK aan het werk, dat moest van Mw v/d L voor de komende 5 weken” kan de Raad niet zien als blijk van roddelen of stoken. Het was immers, naar blijkt uit het gespreksverslag van 8 april 2005, een eenzijdige beslissing van L dat appellante niet op haar eigen afdeling mocht re-integreren. Evenmin laat de e-mail van 11 april 2005 een onjuiste toonzetting zien, zodat dat bericht ook niet op die grond kan gelden als blijk van roddel- of stookgedrag.

3.10. Voorts wordt in de gedingstukken in het geheel niet toegelicht of, en zo ja wat, er in het verleden allemaal is voorgevallen tussen appellante en haar collega’s, waardoor terugkeer van appellante op haar afdeling problematisch zou zijn en waarom L, in verband met de spoedig verwachte terugkeer van appellante, in juli 2005 gesprekken ging organiseren met de collega’s van appellante tijdens welke gesprekken de terugkeer van appellante onder de collega’s in stemming is gebracht. Als er wel concrete incidenten zijn geweest van roddelen of sfeerbederf, had van de leidinggevende(n) mogen worden verwacht dat zij appellante daarop had(den) aangesproken. Een concretisering van deze verwijten is in de gedingstukken echter niet te vinden. De Raad merkt daarbij nog op dat het als regel ongepast is als terugkeer van een collega op de werkplek na een periode van ziekte afhankelijk wordt van een stemming onder de collega’s. Maar wat daarvan ook zij: in ieder geval heeft de Raad in het onderhavige geval een aanleiding daartoe in de gedingstukken niet kunnen vinden. Ook kan de Raad niet inzien waarom L, toen appellante in september 2005 thuis zat omdat zij ondanks herstel niet mocht terugkeren op de afdeling, en L bij bellen naar appellante niet meteen gehoor kreeg, (voor de tweede keer) de politie langs appellantes woning heeft gestuurd. Appellante heeft dit terecht als stigmatiserend ervaren. Een welwillende bejegening van appellante heeft de Raad in dit alles niet kunnen ontdekken. In zoverre heeft de dienst dan ook naar het oordeel van de Raad een niet onaanzienlijk aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding.

4. Al het vorenstaande leidt er toe dat de Raad van oordeel is dat niet is aangetoond dat het appellante is geweest aan wie het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen in overwegende mate moet worden toegeschreven; uit de gedingstukken blijkt veeleer het tegendeel. De Raad is dan ook van oordeel dat, gezien zijn aandeel in ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen, de raad van bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de reguliere ontslaguitkering en het daarnaast beschikbaar stellen van een bedrag van € 15.000,- ten behoeve van outplacementactiviteiten. Dit bedrag zag immers slechts op compensatie voor het voortijdig afbreken van de toegezegde herplaatsings-inpanningen. Het hoger beroep is in zoverre gegrond en de aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de bij het ontslag getroffen regeling niet onvoldoende heeft geacht.De Raad zal zelf in de zaak voorzien en op dit onderdeel bepalen dat de raad van bestuur aan appellante in aanvulling op het reeds toegekende, een bedrag van € 10.000,- uitbetaalt.

5. De Raad ziet in het vorenstaande tevens aanleiding om de raad van bestuur te veroordelen in de proceskosten ten bedrage van € 644,- voor rechtskundige bijstand in de bezwarenprocedure, € 644,- voor het geding in eerste aanleg en eveneens € 644,- voor het geding in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de bij ontslag getroffen regeling in stand heeft gelaten;

Bepaalt dat de raad van bestuur in verband met het ontslag, naast de reeds toegekende uitkering en het budget voor outplacement, € 10.000,- betaalt aan appellante;

Bepaalt dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de raad van bestuur in de proceskosten van appellante ten bedrage van in totaal € 1.932,-, te betalen door het Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum aan appellante het griffierecht vergoedt ten bedrage van € 141,- voor het geding in eerste aanleg en € 214,-voor het geding in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD