Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
29-06-2009
Zaaknummer
07/4832 AW + 07/4833 AW + 07/4834 AW + 07/4835 AW + 08/935 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verstoorde verhoudingen. Tijdelijke plaatsing bij de directie 2; beoordeling; arbeidsgezondheidskundig onderzoek; voortzetting van de tijdelijke plaatsing bij de directie 2; ontslag; doorbetaling van de bezoldiging na ontslag; in mindering brengen van de economische waarde van in bruikleen gegeven goederen op de bezoldiging.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 40a
Algemeen Rijksambtenarenreglement 66
Algemeen Rijksambtenarenreglement 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4832 AW t/m 07/4835 AW + 08/935 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 juni 2007, 05/1708, 06/1831, 06/2643 en 07/331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 18 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 17 januari 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Hauser, werkzaam bij het Expertisecentrum Arbeidsjuridisch voor de sector Rijk, dr. J.J.M. Uijlenbroek, thans werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en ing. K. Hindriks, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Betrokkene is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met een korte samenvattende inleiding en zal voor zover nodig bij de bespreking van verschillende onderdelen de feiten en omstandigheden verder vermelden.

1.1. Betrokkene is in 1990 aangesteld als inspecteur bij de Arbeidsinspectie van appellants ministerie en was vanaf 1 april 2003 geplaatst bij de directie [naam directie 1] van deze inspectie in Amsterdam. Na de aankondiging van het voornemen om enige rechtspositionele besluiten jegens hem te nemen, heeft betrokkene zich op 28 februari 2005 ziek gemeld. Met instemming van betrokkene is hij per 8 maart 2005 voor de duur van zes maanden geplaatst bij de directie [naam directie 2] in Utrecht. Deze tijdelijke overplaatsing is geformaliseerd bij besluit van 5 juli 2005. Bij besluit van 4 augustus 2005 is het (alsnog) door betrokkene gemaakte bezwaar tegen de tijdelijke overplaatsing ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 juli 2005 is een op 18 maart 2005 opgemaakte en op 29 april 2005 met betrokkene besproken beoordeling vastgesteld. Daarbij is tevens besloten dat betrokkene een arbeidsgezondheidskundig onderzoek dient te ondergaan en dat de tijdelijke overplaatsing na 8 september 2005 wordt voortgezet. Bij besluit van 7 februari 2006 zijn de bezwaren tegen de hiervoor genoemde besluiten van 22 juli 2005 ongegrond verklaard. Na een daarop gericht voornemen is betrokkene bij besluit van 24 november 2005 eervol ontslag verleend op grond van 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Een verzoek van betrokkene om zijn bezoldiging vanaf 1 januari 2006 door te betalen vanwege na de ontslagdatum voortgezette arbeidsongeschiktheid is bij besluit van 17 januari 2006 afgewezen. Bij besluit van 28 juli 2006 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 24 november 2005 en 17 januari 2006 ongegrond verklaard. Nadat appellant enige goederen die betrokkene tijdens zijn dienstverband in bruikleen had gekregen niet op zijn verzoek terug had ontvangen, is besloten de economische waarde ten bedrage van € 1.102,32 in mindering te brengen op nog na te betalen bezoldiging. Bij besluit van 19 december 2006 is het bezwaar tegen dit kostenverhaal ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak zijn - voor zover hier van belang - de hierboven vermelde besluiten op bezwaar vernietigd, zijn de primaire besluiten tot tijdelijke plaatsing bij de directie [naam directie 2] en de verlenging daarvan herroepen, is met betrekking tot de overige besluiten opdracht gegeven opnieuw op de bezwaren te beslissen en zijn bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

1.3. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij op de hierboven genoemde onderdelen is beslist. Betrokkene heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

2. De tijdelijke plaatsing bij de directie [naam directie 2].

2.1. Aan het bij besluit op bezwaar van 4 augustus 2005 (hierna: besluit 1) gehandhaafde besluit van 5 juli 2005 tot tijdelijke plaatsing bij de directie Commerciële Dienstver-lening, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 58, eerste lid, van het ARAR, ligt ten grondslag dat betrokkenes houding en gedrag tot een verstoring van de verhoudingen binnen zijn team en met het management hebben geleid. In overleg met de (nieuwe verantwoordelijke) directeur zou het takenpakket van betrokkene vastgesteld worden.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak is besluit 1 vernietigd en het besluit van 5 juli 2005 herroepen omdat naar het oordeel van de rechtbank niet kon worden beoordeeld of de nieuwe werkzaamheden passend waren.

2.3. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat het doel van de maatregel was om rust te brengen binnen het team Amsterdam van de directie [naam directie 1] en betrokkene de gelegenheid te geven in een andere werkomgeving een nieuwe start te maken. Door de ziekmelding van betrokkene en zijn gebrek aan medewerking is de vaststelling van het takenpakket niet tot stand gekomen. Dat er bij de aanvang van de plaatsing nog een concreet takenpakket ontbrak is volgens appellant geen beletsel voor toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR.

2.4. Betrokkene heeft al in maart 2005 erkend dat hij door verstoorde verhoudingen niet langer zijn werk bij de directie [naam directie 1] in Amsterdam kon verrichten. In zoverre was er naar het oordeel van de Raad voor appellant dan ook voldoende reden om gebruik te maken van artikel 58, eerste lid, van het ARAR. Nu de tijdelijke plaatsing in hoofdzaak was ingegeven door de noodzaak om betrokkene te ontheffen uit zijn oorspronkelijke functie kan de rechtbank niet gevolgd worden in haar oordeel dat het nog ontbreken van een duidelijk takenpakket bij de start van de tijdelijke plaatsing tot de conclusie moet leiden dat het besluit een zorgvuldige voorbereiding ontbeert. Ook in het licht van de overige omstandigheden, zoals het voornemen om een beoordeling over betrokkenes functioneren op te maken en om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te laten plaatsvinden vanwege ernstige twijfel over betrokkenes (geestelijke) gezondheidstoestand, was niet onaanvaardbaar dat appellant het nieuwe tijdelijke takenpakket in overleg tussen betrokkene en de nieuwe directeur wilde laten vaststellen.

2.5. De Raad kan betrokkene niet volgen in zijn ter zitting herhaalde grief dat hij niet onmiddellijk weer als inspecteur aan het werk mocht en dat Utrecht vanuit zijn woonplaats moeilijk bereikbaar is. De kritische signalen over betrokkenes houding, gedrag en overig functioneren gaven appellant voldoende reden om appellant niet terstond de functie van inspecteur te laten uitoefenen. Dat betrokkene een langere reistijd zou krijgen, kan aan de passendheid van de tijdelijke plaatsing niet afdoen en overigens heeft betrokkene nimmer om een concrete andere werklocatie verzocht.

2.6. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 1 is vernietigd en het besluit van 5 juli 2005 is herroepen. Ook de veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- voor het opstellen van het bezwaarschrift komt voor vernietiging in aanmerking.

2.7. De Raad zal het beroep tegen besluit 1 alsnog ongegrond verklaren.

3. De beoordeling.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep erkend dat het besluit van 7 februari 2006, waarbij het bezwaar tegen de beoordeling van 22 juli 2005 ongegrond is verklaard, tekortkomingen vertoont. In zoverre aanvaardt appellant de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep met betrekking tot de beoordeling is beperkt tot de overwegingen van de rechtbank waarin is neergelegd dat er niet zozeer sprake is van een onvoldoende functioneren maar veeleer van een (geëscaleerd) arbeidsconflict, waaraan beide partijen debet zijn.

3.2. De Raad is van oordeel dat de door appellant betwiste overwegingen geen bindende beslissingen of aanwijzingen behelzen die appellant bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in acht moet nemen. Dit brengt mee dat appellant geen procesbelang heeft bij het hoger beroep tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak en dat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.3. De door de rechtbank uitgesproken veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- aan kosten voor rechtsbijstand en de opdracht aan de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 141,- aan betrokkene te vergoeden, blijven dan ook in stand.

3.4. Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 17 januari 2008 heeft appellant het bezwaar tegen de op 22 juli 2005 vastgestelde beoordeling opnieuw ongegrond verklaard (hierna: besluit 2). Aangezien met dit besluit niet geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet is gekomen, zal dit besluit op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier mede worden beoordeeld.

3.5. Betrokkene is van opvatting dat bij de beoordeling verschillende formele voorschriften zijn geschonden. Hij kan zich voorts niet met de inhoud van de beoordeling verenigen.

3.5.1. In verband met de stelling van betrokkene dat het primaire besluit onbevoegd is genomen, wijst de Raad op zijn vaste jurisprudentie (CRvB 10 oktober 2002, LJN AE8966 en TAR 2003, 39) dat een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek bij besluit op bezwaar kan worden geheeld, indien het besluit op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen. In aanmerking genomen dat betrokkenes stellingen beperkt zijn tot het primaire besluit en aan de Raad niet is gebleken dat besluit 2 onbevoegd is genomen, gaat de Raad dus verder aan betrokkenes stellingen voorbij.

3.5.2. Anders dan betrokkene stelt, is het einde van het beoordelingstijdvak bepaald op 18 maart 2005, de datum waarop de beoordeling is opgemaakt. De maximale beoordelingstermijn van twee jaar is dus niet overschreden. Ook de opvatting van betrokkene dat er onjuist is gehandeld bij de aanwijzing van informanten kan niet worden gevolgd. De van de zijde van appellant gemaakte keuze voor 2 van de 21 door betrokkene voorgestelde informanten is voldoende gemotiveerd. Het toepasselijke voorschrift verbiedt niet dat er op initiatief van appellant een informant wordt aangewezen. Als eerste beoordelaar is terecht teamleider H aangewezen nu H gedurende nagenoeg de gehele beoordelingsperiode de direct leidinggevende van betrokkene is geweest. Het achterwege blijven van een zogeheten M&M-gesprek in 2004 is naar het oordeel van de Raad geen reden om de beoordeling niet in stand te laten. Na het M&M-gesprek van 25 november 2003 heeft H in 2004 een groot aantal gesprekken met betrokkene gevoerd over zijn functioneren en hem onder meer aanwijzingen gegeven over hetgeen er verbeterd diende te worden. Daarmee is voldaan aan de bedoeling van het desbetreffende voorschrift, dat de betrokkene moet weten wat er van hem in zijn werkzaamheden verwacht wordt en dat hem de mogelijkheden en begeleiding zijn geboden om tot optimaal functioneren te komen.

3.5.3. Met betrekking tot betrokkenes grieven over de inhoud van de beoordeling overweegt de Raad dat volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191, en CRvB 13 juli 2006, LJN AY5117 en TAR 2007, 3) de toetsing daarvan is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust.

3.5.4. De bij besluit 2 gehandhaafde beoordeling geeft voor de functievervulling in haar geheel een score A ("schoot duidelijk tekort"). Bij de onderscheiden gezichtspunten zijn eveneens enige A-scores gegeven, met name voor de vaardigheden (competenties), houding/gedrag en ongevallen/klachten. Voor de onderdelen actieve inspecties, team-projectleiding en monitoring heeft betrokkene een B-score ("voldeed niet geheel aan de gestelde eisen") gekregen. Het werk- en denkniveau/kennis is beoordeeld met een C-score ("voldeed geheel aan de eisen").

3.5.5. Bij besluit 2 zijn de negatieve scores uitvoerig beargumenteerd en van voorbeelden voorzien. Daarbij is aangesloten bij het memo van H van 28 juni 2005 waarin voorbeelden zijn genoemd en waarin is verwezen naar stukken waaruit de genoemde tekortkomingen van betrokkene blijken. Betrokkene heeft geen concrete aanwijzingen aangedragen die de gegeven voorbeelden en bijbehorende negatieve scores in twijfel kunnen doen trekken. Veelal heeft betrokkene volstaan met een blote ontkenning die soms kenbaar onjuist is. Als voorbeeld noemt de Raad de stelling van betrokkene ter zitting dat hij nimmer heeft geweigerd om langer deel te nemen aan teamvergaderingen. De Raad wijst daaromtrent op de e-mail van betrokkene van 4 oktober 2004 aan H waarin betrokkene gemotiveerd meedeelt dat hij deelname aan teambijeenkomsten niet raadzaam acht en dat hij zich in de tussentijd met zijn andere werkzaamheden zal bezig houden.

3.5.6. De Raad acht dus genoegzaam aangetoond dat betrokkenes functioneren in het beoordelingstijdvak in zijn geheel een onvoldoende beeld heeft laten zien. Het nog duidelijk gunstiger oordeel van H bij het M&M-gesprek van 25 november 2003 doet daar niet aan af. Besluit 2 kan dus in rechte stand houden.

3.6. De Raad zal het beroep dat betrokkene geacht wordt te hebben ingesteld tegen besluit 2, ongegrond verklaren.

4. Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek.

4.1. Het bij besluit op bezwaar van 7 februari 2006 gehandhaafde besluit van 22 juli 2005 om betrokkene een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te laten ondergaan (hierna: besluit 3) is erop gericht om vast te stellen of er - kort samengevat - medische oorzaken ten grondslag liggen aan betrokkenes houding en gedrag en zijn tekortschietend functioneren.

4.2. Bij de aangevallen uitspraak is besluit 3 vernietigd omdat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over de wettelijke grondslag van de opdracht, dat wil zeggen over de vraag of toepassing is gegeven aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR, zoals vermeld in het besluit van 22 juli 2005 dan wel aan artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARAR zoals vermeld in besluit 3.

4.3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat in dit geval de beide artikelleden toepasbaar waren. De gedragingen van betrokkene gaven voldoende reden om te twijfelen aan zijn gezondheidstoestand en op basis van dat gedrag kon eveneens betwijfeld worden of betrokkene nog geschikt was voor de uitoefening van zijn functie van inspecteur. Volgens appellant heeft de rechtbank ook uit het oog verloren dat het onderzoek mede in het belang van betrokkene was in verband met het bieden van eventuele hulp en mogelijk ter voorkoming van ontslag.

4.4. De Raad kan het door appellant in hoger beroep ingenomen standpunt in grote lijnen volgen. De gedragingen van betrokkene jegens zijn collega's en het management pasten geenszins bij het gedrag dat van een ambtenaar in normale ambtelijke verhoudingen mag worden verwacht. De omstandigheid dat betrokkene hiermee doorging nadat meermalen de ongepastheid van dat gedrag onder zijn aandacht was gebracht wettigde het vermoeden van de aanwezigheid van een medische oorzaak. Mede omdat appellant voornemens was om betrokkene onder meer wegens deze gedragingen ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR lag het op de weg van appellant om uit een oogpunt van zorgvuldigheid te laten vaststellen of er een medische oorzaak was voor betrokkenes handelwijze.

4.5. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 3 is vernietigd.

De hierbij door de rechtbank gegeven veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht is verdisconteerd in hetgeen onder 3.3 is overwogen en beslist en blijft hier dus terzijde.

4.6. De Raad zal het beroep tegen besluit 3 alsnog ongegrond verklaren.

5. De voortzetting van de tijdelijke plaatsing bij de directie [naam directie 2] te Utrecht.

5.1. Het besluit van 7 februari 2006, houdende de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de voortzetting van de tijdelijke plaatsing bij de directie [naam directie 2] (hierna: besluit 4), is bij de aangevallen uitspraak vernietigd met herroeping van het besluit van 22 juli 2005 en met bepalingen over proceskosten en griffierecht, omdat de rechtbank besluit 1 had vernietigd en het besluit van 5 juli 2005 had herroepen. Reeds omdat de Raad het beroep tegen besluit 1 alsnog ongegrond zal verklaren, berust de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 4 op een onjuiste motivering.

5.2. De door de Raad te beantwoorden vraag of besluit 4 in rechte stand kan houden, wordt bevestigend beantwoord. Er was nog geen enkele verbetering opgetreden in de situatie die de aanleiding was voor de tijdelijke overplaatsing. Betrokkene was nog grotendeels met ziekteverlof en de fricties tussen betrokkene en het management duurden onverminderd voort.

5.3. Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 4 is vernietigd en het besluit van 22 juli 2005 met betrekking tot de voortzetting van de tijdelijke plaatsing is herroepen. Ook de veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- voor het opstellen van het bezwaarschrift komt voor vernietiging in aanmerking.

5.4. De Raad zal het beroep tegen besluit 4 alsnog ongegrond verklaren.

6. Het ontslag.

6.1. Het besluit van 28 juli 2006 houdende de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het ongeschiktheidsontslag (hierna: besluit 5) is bij de aangevallen uitspraak vernietigd met bepalingen over proceskosten en griffierecht, omdat de rechtbank het besluit van 7 februari 2006, houdende de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de beoordeling van 22 juli 2005, niet in stand had gelaten.

6.2. Appellant heeft in hoger beroep terecht aangevoerd dat besluit 5 niet uitsluitend op de beoordeling gebaseerd was. Mede in aanmerking genomen dat blijkens het onder 3.5.6 overwogene besluit 2 over de beoordeling in rechte stand kan houden, kan de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 5 niet in stand blijven.

6.3. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of besluit 5 in rechte stand kan houden.

6.4. De Raad zal voorbijgaan aan hetgeen betrokkene ter zitting aan de orde heeft gesteld over de zijns inziens niet deugdelijke samenstelling van de Adviescommissie Bezwaren Personeel SZW. De Raad is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om een dergelijke formele grief voor het eerst ter zitting in hoger beroep aan de orde te stellen. Deze beslissing geldt ook voor de overige thans aan de orde zijnde besluiten waaraan het advies van deze commissie ten grondslag is gelegd.

6.5. Gelet op de tekortkomingen in betrokkenes functioneren die zijn weergegeven in besluit 2 en de na 18 maart 2005 voortgezette eigenzinnige bejegening door betrokkene van zijn leidinggevenden met een meermalen ongepaste toonzetting, is de Raad van oordeel dat betrokkene de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist voor een goede vervulling van zijn functie. Appellant heeft betrokkene dus terecht als ongeschikt voor de vervulling van zijn functie aangemerkt. Aangezien betrokkene zich ondanks herhaald aandringen van appellant niet wenst te onderwerpen aan een arbeidsgezondheidskundig onderzoek om te laten beoordelen of er medische oorzaken voor zijn gedrag waren, mocht appellant de ongeschiktheid aanmerken als een ongeschiktheid anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Betrokkene heeft de vele verbeterkansen in het beoordelingstijdvak en daarna niet aangegrepen en heeft volhard in zijn onbetamelijke gedrag. Appellant was dus bevoegd betrokkene ontslag te verlenen. De Raad ziet geen omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat appellant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Voor de opvatting van betrokkene dat zijn klachten jegens een zestal medewerkers van de Arbeidsinspectie de (enige) reden zijn voor het ontslag ontbreekt in de gedingstukken ieder aanknopingspunt. Besluit 5 houdt dus in rechte stand.

6.6. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 5 is vernietigd. Ook de door de rechtbank gegeven veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- en tot vergoeding van het griffierecht ten bedrage van € 141,- komt voor vernietiging in aanmerking.

6.7. De Raad zal het beroep tegen besluit 5 alsnog ongegrond verklaren.

7. De doorbetaling van de bezoldiging na ontslag.

7.1. Het besluit van 28 juli 2006 houdende de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de weigering de bezoldiging na ontslag door te betalen (hierna: besluit 6) is bij de aangevallen uitspraak vernietigd met bepalingen over proceskosten en griffierecht, omdat de rechtbank besluit 5 met betrekking tot het ontslag niet in stand had gelaten.

7.2. Reeds omdat de Raad het beroep tegen besluit 5 alsnog ongegrond zal verklaren, berust de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij besluit 6 is vernietigd, op een onjuiste motivering. De Raad zal de vraag beantwoorden of besluit 6 in rechte stand kan houden.

7.3. Bij brief van 5 december 2005 heeft appellant betrokkene kenbaar gemaakt dat het niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 24 november 2005 tot gevolg heeft dat de bedrijfsarts (opnieuw) niet kan vaststellen of en zo ja in welke mate betrokkene arbeidsongeschikt is. In samenhang met onder meer eerdere afmeldingen wegens ziekte voor het spreekuur op 26 september 2005 en voor het arbeidsgezondheids-kundig onderzoek van 23 september 2005 kon de bedrijfsarts daardoor niet verder met de verzuimbegeleiding. Appellant heeft vastgesteld dat betrokkene niet aan zijn verplichtingen uit hoofdstuk VI van het ARAR, met name artikel 40a, eerste lid, aanhef en onderdelen f, g, j en r, voldeed. Hoewel dit reden geeft voor het stopzetten van de bezoldiging totdat betrokkene aan zijn verplichtingen heeft voldaan, heeft appellant hiervan afgezien omdat hij inmiddels had besloten betrokkene per 1 januari 2006 ontslag te verlenen.

7.4. Het verzoek van betrokkene om doorbetaling van de bezoldiging wegens na het ontslag voorgezette ziekte is bij het bij besluit 6 gehandhaafde besluit van 17 januari 2006 afgewezen, omdat appellant de inhoud van de brief van 5 december 2005 nog steeds juist acht en met toepassing van artikel 40a van het ARAR de bezoldiging vanaf het ontslag niet doorbetaalt. De aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging zal kunnen herleven, nadat betrokkene een verklaring van de bedrijfsarts of van de verzekeringsgeneeskundige van het UWV heeft overgelegd waaruit blijkt dat betrokkene wegens ziekte niet in staat is om arbeid te verrichten en dat hij zich na zijn ziekmelding op 28 februari 2005 onder behandeling heeft gesteld.

7.5. Naar het oordeel van de Raad geldt als uitgangspunt dat betrokkene vanaf 1 januari 2006 wegens ziekte verhinderd is geweest om een soortgelijke functie als zijn vorige functie uit te oefenen, omdat appellant het ziekteverlof van betrokkene tot 1 januari 2006 feitelijk heeft aanvaard, er per 1 januari 2006 geen hersteldverklaring is gekomen en appellant toepassing heeft gegeven aan een voorschrift dat maatregelen mogelijk maakt ingeval van ziekte(verlof). Ingevolge artikel 38, eerste lid, van het ARAR had betrokkene in die situatie vanaf 1 januari 2006 als gewezen ambtenaar aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging zonder dat hij aan speciale nadere voorwaarden hoefde te voldoen.

7.6. De Raad acht aanvaardbaar dat een bestuursorgaan in de loop van een ziekteperiode wijzigingen aanbrengt in het al dan niet verbinden van gevolgen aan het door de ambtenaar niet naleven van de controlevoorschriften en de wijze van verzuimbegeleiding. Dat appellant bij betrokkene tot een dergelijke wijziging na de ontslagdatum overging valt naar het oordeel van de Raad te billijken tegen de achtergrond van betrokkenes weinig coöperatieve instelling in de tweede helft van 2005, zoals is beschreven in de brief van 5 december 2005. De door appellant aan betrokkene bij het besluit van 17 januari 2006 gestelde eisen om inzichtelijk te maken dat sprake was van verhindering wegens ziekte en van contacten met een behandelend arts, zijn naar het oordeel van de Raad aan te merken als passende voorwaarden.

7.7. Toch kan naar het oordeel van de Raad besluit 6 in rechte geen stand houden. Terwijl appellant zijn (nieuwe) opstelling pas op 17 januari 2006 bekend heeft gemaakt en betrokkene dus pas op zijn vroegst enige dagen daarna in staat moet worden geacht te voldoen aan de gestelde eisen, is de vervallenverklaring al per 1 januari 2006 ingegaan. Bij een voldoening aan de eisen komt de doorbetaling - aldus het besluit van 17 januari 2006 - vanaf de datum van die voldoening pas weer aan de orde. De door appellant toegepaste terugwerkende kracht van de maatregel van vervallenverklaring acht de Raad in strijd met de rechtszekerheid en dus rechtens onjuist. De omstandigheid dat betrokkene in de tweede helft van 2005 niet steeds heeft voldaan aan zijn verplichtingen, zoals blijkt uit de brief van 5 december 2005, acht de Raad daartoe geen draagkrachtige motivering aangezien appellant blijkens die brief uitdrukkelijk heeft besloten geen maatregelen op te leggen wegens het gepleegde verzuim.

7.8. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 6 is vernietigd. De hierbij door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht is verdisconteerd in hetgeen onder 6.6 is overwogen en beslist en kan hier dus terzijde blijven.

Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting en gelet op het verzoek van appellant zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 6 in stand blijven met ingang van 25 januari 2006.

8. Het in mindering brengen van de economische waarde van in bruikleen gegeven goederen op de bezoldiging.

8.1. Bij de aangevallen uitspraak is het besluit van 19 december 2006 (hierna: besluit 7), houdende de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het in mindering brengen van een bedrag van € 1.102,32 op hetgeen betrokkene nog tegoed heeft, vernietigd met bepalingen over proceskosten en griffierecht, omdat de rechtbank besluit 5 met betrekking tot het ontslag niet in stand had gelaten.

8.2. Reeds omdat de Raad het beroep tegen besluit 5 alsnog ongegrond zal verklaren berust de aangevallen uitspraak met betrekking tot het in mindering brengen van een bedrag van € 1.102,32 op de bezoldiging op een onjuiste motivering.

De Raad zal de vraag beantwoorden of besluit 7 in rechte stand kan houden.

8.3. Na het ontslag is betrokkene verzocht elf dienstgoederen die hem ten behoeve van de uitoefening van zijn functie in bruikleen waren gegeven, te retourneren met de waarschuwing dat de waarde van de goederen zou worden meegenomen bij de nog op te maken financiële eindafrekening indien door toedoen van betrokkene de overdracht niet tijdig heeft plaatsgevonden. Na een voorstel van betrokkene aan appellant om de dienstgoederen bij betrokkene te komen ophalen, heeft appellant daartoe tweemaal een afspraak gemaakt, maar beide keren van ophalen afgezien omdat betrokkene schriftelijk nader kenbaar had gemaakt de goederen niet zonder meer te willen overhandigen. Betrokkene heeft de goederen ook niet teruggebracht. Bij het bij besluit 7 gehandhaafde besluit van 27 april 2006 is besloten de economische waarde van vier van de goederen ten bedrage van € 1.102,32 in mindering te brengen op hetgeen betrokkene nog tegoed heeft.

8.4. De Raad acht aanvaardbaar dat appellant van de ambtenaar verlangt dat deze in bruikleen gegeven dienstgoederen na het ontslag zelf terugbrengt naar een door appellant te bepalen locatie. Toen appellant vanwege problemen bij betrokkene met het terugbrengen van de goederen bereid was deze te komen halen, had het dan ook op de weg van betrokkene gelegen om daaraan zijn volledige medewerking te verlenen. Betrokkene is hierin tekortgeschoten door - nadat hem op zijn verzoek kopieën van de bruikleenverklaringen waren verstrekt - gegevens over de boekwaarde van de goederen te verlangen alvorens deze goederen te willen afgeven. Aangezien betrokkene vervolgens evenmin de goederen zelf heeft teruggebracht, is betrokkene nalatig geweest en is de teruggave van de goederen door toedoen van betrokkene achterwege gebleven. Daarom was appellant gerechtigd met toepassing van artikel 66 van het ARAR de schade op betrokkene te verhalen. Nu betrokkene de hoogte van het bedrag slechts in twijfel heeft getrokken op grond van de enkele stelling dat de goederen geen waarde in het economische verkeer meer hebben, ziet de Raad geen grond om het bedrag van € 1.102,32 niet als een redelijke schatting aan te merken.

8.5. Aangezien niet valt in te zien dat appellant geen gebruik zou hebben mogen maken van de bevoegdheid van artikel 66 van het ARAR komt de Raad tot het oordeel dat besluit 7 in rechte stand kan houden.

8.6. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij - met gegrondverklaring van het beroep - besluit 7 is vernietigd. Ook de veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- aan kosten voor rechtsbijstand en de opdracht aan de Staat der Nederlanden om betrokkene het griffierecht ten bedrage van € 141,- te vergoeden, komen voor vernietiging in aanmerking.

8.7. De Raad zal het beroep tegen besluit 7 alsnog ongegrond verklaren.

9. Het besluit van 17 januari 2008 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

9.1. Bij besluit van 17 januari 2008 (hierna: besluit 8) heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op de bezwaren inzake de opdracht tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, het ontslag, de doorbetaling van de bezoldiging na het ontslag en het kostenverhaal van € 1.102,32.

9.2. Aangezien de Raad de aangevallen uitspraak met betrekking tot de vier hiervoor genoemde onderdelen zal vernietigen, ontvalt in zoverre de grondslag aan besluit 8 en komt ook besluit 8 in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

10. Kosten van bezwaar, proceskosten en vergoeding griffierecht.

10.1. Gelet op het hiervoor onder 2.6, 5.3, 6.6 en 8.6 overwogene komt de bij de aangevallen uitspraak gegeven veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.288,- en de opdracht tot vergoeding van griffierecht tot een bedrag van € 282,- voor vernietiging in aanmerking. Dat betekent dat een bedrag van € 2.254,- aan proceskosten en van € 279,- aan griffierecht resteert.

10.2. Gelet op het onder 3 en 7 overwogene ziet de Raad aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Omdat betrokkene ten aanzien van het onder 7 genoemde besluit van 17 januari 2006 had gevraagd om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar en dat besluit wordt herroepen wegens aan appellant te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding appellant op grond van artikel 7:15 in verbinding met artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van betrokkene in (dat) bezwaar, begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

Appellant zal inzake besluit 6 veroordeeld worden in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en aan betrokkene zal het griffierecht in eerste aanleg tot een bedrag van € 141,- vergoed moeten worden.

In hoger beroep zal appellant veroordeeld worden in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en € 21,52 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het de beoordeling betreft;

Vernietigt de aangevallen uitspraak

(i) voor zover daarbij is beslist over besluit 1 in samenhang met het besluit van 5 juli 2005, over besluit 3, over besluit 4 in samenhang met het besluit van 22 juli 2005, over besluit 5 en over besluit 7, en

(ii) voor zover daarbij een veroordeling is uitgesproken tot vergoeding van proceskosten van betrokkene tot een bedrag van meer dan € 2.254,- en van griffierecht tot een bedrag van meer dan € 279,-;

Verklaart de beroepen van betrokkene tegen de besluiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep van betrokkene tegen besluit 6 gegrond is verklaard en dat besluit 6 is vernietigd en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 6 geheel in stand blijven met ingang van 25 januari 2006;

Vernietigt besluit 8 voor zover daarbij is beslist op bezwaren tegen de opdracht een onderzoek te ondergaan, tegen het ontslag, tegen de doorbetaling van bezoldiging na ontslag en tegen het kostenverhaal;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.309,52, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan betrokkene het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht van in totaal € 141,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD