Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
07-804 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft de grondslag van de weigering de Wajong-uitkering toe te kennen bij dat besluit gewijzigd; de aanvraag om een Wajong-uitkering wordt thans beschouwd als een verzoek om terug te komen van de beslissing tot omzetting per 1 januari 1998 van de uitkering van appellant ingevolge de AAW in een uitkering krachtens de WAZ. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan dat omzettingsbesluit onjuist geweest zou zijn. De Raad is van oordeel dat de aanvraag van appellant van 30 mei 2005 om toekenning van een Wajong-uitkering vanwege een in 1970 (of, naar de mening van appellant: daarvóór) ingetreden arbeidsongeschiktheid, in het licht van de plaatsgevonden hebbende omzetting van appellants AAW-uitkering per 1 januari 1998 in een WAZ-uitkering met toepassing van de overgangsbepalingen van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, in dit geval door het Uwv terecht is opgevat als een verzoek om terug te komen van bedoelde omzettingsbeslissing. Hetgeen appellant in dit verband stelt komt immers erop neer dat hij van mening is dat hij destijds bij die omzetting ten onrechte is aangemerkt als te behoren tot de doelgroep van de WAZ: hij meent tot de doelgroep van de Wajong te behoren. De rechtbank heeft, daarvan uitgaande, met juistheid beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb die het Uwv aanleiding hadden moeten geven die omzettingsbeslissing te herzien. De rechtbank heeft terecht en op de goede gronden geoordeeld dat van zodanige nieuwe feiten en veranderde omstandigheden geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/804 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 december 2006, 06/2382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C.M. Schaeken, advocaat te Eersel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Schaeken voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In 1978 heeft appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidwet (AAW) ingediend bij een rechtsvoorganger van het Uwv, in verband met een sedert juni 1975 bestaande arbeidsongeschiktheid. Voordien was appellant werkzaam als exploitant van een administratie- en assurantiekantoor, in een omvang van acht uur per week.

1.2. Aan appellant is ingaande 25 juli 1977 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ingaande 1 januari 1998 is deze uitkering omgezet in een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.3. Bij (primair) besluit van 27 mei 2005 is de WAZ-uitkering van appellant ingaande 26 juli 2005 ingetrokken, op de grond dat appellant met arbeid die hij met zijn medische beperkingen en zijn bewaamheden nog kan verrichten, meer dan 75% kan verdienen van hetgeen de gelijksoortige gezonde persoon zou verdienen.

1.4. Op 30 mei 2005 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend bij het Uwv.

1.5. In het kader van deze aanvraag is appellant op 14 juli 2005 op het spreekuur onderzocht door de arts P.T. Duerinckx. Daarbij is de medische situatie van appellant op 7 maart 1962 beoordeeld, zijnde de 18e verjaardag van appellant, en op 3 juni 2004, de datum gelegen één jaar voor de aanvraag. De verzekeringsarts concludeerde, voor zover hier van belang, dat er op de leeftijd van 18 jaar, ondanks de psychische en andere klachten, bij appellant geen beperkingen waren te duiden als rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek.

1.6. Bij (primair) besluit van 15 juli 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat hij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong is aan te merken.

1.7. Lopende de bezwaarprocedure heeft appellant een onderzoeksrapport van 22 februari 2006 van drs. J.P. de Leeuw, psycholoog/psychotherapeut bij Argonaut Advies Eindhoven ingebracht, ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn medische beperkingen reeds bestonden ten tijde van de vroege volwassenheid.

1.8. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 24 april 2006 (hierna: bestreden besluit) het tegen het besluit van 15 juli 2005 gemaakte bewaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar een eerder schrijven van 1 maart 2006, heeft het Uwv de grondslag van de weigering de Wajong-uitkering toe te kennen bij dat besluit gewijzigd; de aanvraag om een Wajong-uitkering wordt thans beschouwd als een verzoek om terug te komen van de beslissing tot omzetting per 1 januari 1998 van de uitkering van appellant ingevolge de AAW in een uitkering krachtens de WAZ. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan dat omzettingsbesluit onjuist geweest zou zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waarin het Uwv aanleiding had moeten zien om het oorspronkelijke besluit, waarbij appellants uitkering krachtens de AAW is omgezet in een uitkering krachtens de WAZ, te herzien. De omstandigheid dat appellant zich thans – kennelijk omwille van financiële implicaties – realiseert dat hij eigenlijk tegen het omzettingsbesluit had moeten opkomen, vormt geen nieuw feit of veranderde omstandigheid, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat destijds ten onrechte is beslist ingaande 1 januari 1998 een WAZ-uitkering toe te kennen in plaats van een Wajong-uitkering, dat appellant nimmer als zelfstandige heeft gefunctioneerd of heeft kunnen functioneren, en is tevens als grief aangevoerd dat het Uwv in bezwaar ten onrechte geen beslissing heeft genomen op zijn verzoek om met ingang van mei 2004 in aanmerking te worden gebracht voor een Wajong-uitkering.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat de aanvraag van appellant van 30 mei 2005 om toekenning van een Wajong-uitkering vanwege een in 1970 (of, naar de mening van appellant: daarvóór) ingetreden arbeidsongeschiktheid, in het licht van de plaatsgevonden hebbende omzetting van appellants AAW-uitkering per 1 januari 1998 in een

WAZ-uitkering met toepassing van de overgangsbepalingen van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, in dit geval door het Uwv terecht is opgevat als een verzoek om terug te komen van bedoelde omzettingsbeslissing. Hetgeen appellant in dit verband stelt komt immers erop neer dat hij van mening is dat hij destijds bij die omzetting ten onrechte is aangemerkt als te behoren tot de doelgroep van de WAZ: hij meent tot de doelgroep van de Wajong te behoren.

4.2. De rechtbank heeft, daarvan uitgaande, met juistheid beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb die het Uwv aanleiding hadden moeten geven die omzettingsbeslissing te herzien.

4.3. De rechtbank heeft terecht en op de goede gronden geoordeeld dat van zodanige nieuwe feiten en veranderde omstandigheden geen sprake is. De Raad onderschrijft dat oordeel en maakt dat tot het zijne, waarbij de Raad opmerkt dat hetgeen van de zijde van appellant schriftelijk dan wel ter zitting is aangevoerd geen aanknopingspunten bevat voor een andersluidend oordeel.

4.4. Voorts overweegt de Raad dat, gelet op het beperkte toetsingskader als weergegeven onder 4.2, dat van dwingendrechtelijke aard is, er geen ruimte is om daarnaast nog te onderzoeken of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd, als jonggehandicapte in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt. Reeds om die reden slaagt de daarop gerichte grief van appellant niet.

4.5. Op grond van hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR