Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
30-06-2009
Zaaknummer
08-222 WUBO + 08-6582 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1) Verweerster heeft aanvaard dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO vanwege internering in de kampen Lodjiwetan en Koesoemojoedan in Soerakarta tijdens de zogenoemde Bersiap-periode. 2) Afwijzing aanvraag voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de WUV. Verweersters hebben terecht het verblijf van appellant tijdens de Japanse bezetting in het Boemikamp en kamp Gilingan te Solo niet aangemerkt als internering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/222 WUBO + 08/6582 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1) en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna verweerster 2)

Datum uitspraak: 10 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster 1 onder dagtekening 31 augustus 2007, kenmerk BZ 7523, JZ/E60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUBO), verder: het eerste bestreden besluit.

Appellant heeft verder beroep ingesteld tegen een door verweerster 2 onder dagtekening 31 augustus 2007, kenmerk BZ 46689, JZ/E60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvervoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (hierna: WUV), verder: het tweede bestreden besluit.

Verweersters hebben in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in het beroep tegen het eerste bestreden besluit heeft plaats-gevonden op 6 november 2008, waarna het onderzoek is heropend, omdat niet was onderkend dat appellant tevens beoogd had beroep in te stellen tegen het (thans) tweede bestreden besluit. Beide zaken zijn vervolgens gevoegd behandeld ter zitting van 29 april 2009. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Naar aanleiding van de gedingstukken en het verhandelde op de zittingen gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2006 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de WUBO, respectievelijk als vervolgde in de zin van de WUV.

1.2. Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft verweerster 1 aanvaard dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO vanwege internering in de kampen Lodjiwetan en Koesoemojoedan in Soerakarta tijdens de zogenoemde Bersiap-periode. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het eerste bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.2. Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft verweerster 2 de aanvraag van appellant voor een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de WUV afgewezen, op de grond dat niet is voldaan aan de in die wet gestelde voorwaarden. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het tweede bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In beide gedingen houdt partijen verdeeld de vraag of verweersters terecht het verblijf van appellant tijdens de Japanse bezetting in het Boemikamp en kamp Gilingan te Solo niet hebben aangemerkt als internering.

2.2. De Raad overweegt hieromtrent dat het standpunt van verweersters dat deze kampen ten tijde van het verblijf van appellant daar opvangkampen waren voor vrouwen en kinderen, voldoende is onderbouwd. Verweersters hebben historisch onderzoek gedaan, informatie ingewonnen bij het Nederlandse Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en verder gebruik gemaakt van de gegevens uit het dossier van een zuster van appellant. Op grond van alle bekende gegevens is duidelijk dat deze kampen, waar geen permanente bewaking was, bedoeld waren voor huisvesting van vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan. De door appellant overgelegde getuigenverklaringen bieden evenmin bevestiging van internering van appellant tijdens de Japanse bezetting.

3. Het vorenstaande brengt mee dat beide beroepen van appellant ongegrond dienen te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD