Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
07-6246 WWB + 09 - 2469 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering.Terugvordering bijstandsuitkering. In aanmerking te nemen middelen. Aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. Nu de aanspraak van betrokkene is ontstaan voor de aanvang van de bijstand dient bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van de datum met ingang waarvan bijstand werd verstrekt. Daarin ligt tevens besloten dat na de peildatum voor het vaststellen van het vermogen ontstane schulden niet van invloed zijn op de hoogte van het voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB in aanmerking te nemen bedrag (zie onder meer de uitspraak van 10 juni 2008, LJN BD4661). De gestelde schulden dienen bij de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/203
JWWB 2009, 182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6246 WWB

09/2469 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 september 2007, 06/3921 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.J. den Boef, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J. Moll en A.T. Naijen, beiden werkzaam bij de gemeente Woudenberg. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Den Boef.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft op 30 november 2004 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Op dat moment was betrokkene verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en leefde zij gescheiden. Bij besluit van 10 februari 2005 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 30 november 2004 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Daarbij is betrokkene meegedeeld dat haar vermogen niet kan worden vastgesteld, omdat er onder meer sprake is van een eigen woning, en dat het vermogen zal worden vastgesteld zodra de scheiding en deling heeft plaatsgevonden.

1.2. Bij besluit van 24 april 2006 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over de periode van 30 november 2004 tot en met 31 januari 2006 tot een bedrag van € 12.263,58 van betrokkene teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB en artikel 6 van de Beleidsregels terugvordering en verhaal van de gemeente Woudenberg. Hierbij is vermeld dat het vermogen van betrokkene € 25.033,27 bedraagt, bestaande uit het door haar uit de boedel ontvangen bedrag van € 24.016,71 en het vermogen op de datum van de aanvraag ad € 1.007,34.

1.3. Bij besluit van 29 september 2006 heeft appellant het gemaakte bezwaar tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is onder meer ten grondslag gelegd dat de door betrokkene in de bijstandsperiode gemaakte schulden in de vorm van leningen die zij in die periode is aangegaan, niet voor de vaststelling van het vermogen worden meegenomen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat aan de schulden een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9 geoordeeld dat de feitelijke terugbetalingsverplichting van de schulden wel is komen vast te staan en dat appellant bij de vaststelling van het vermogen dan ook ten onrechte de schulden van betrokkene tot een bedrag van € 6.250,-- niet heeft meegenomen. Gelet hierop heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 29 september 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Het hoger beroep is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9.

4. Op 6 november 2007 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen. Hierbij zijn conform de aangevallen uitspraak de schulden van betrokkene van in totaal € 6.250,-- op het vastgestelde vermogen in mindering gebracht en is het teruggevorderde bedrag verlaagd tot € 6.683,97. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening kan worden gehouden met die later beschikbaar gekomen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de WWB. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een grond voor terugvordering indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt kan tot terugvordering worden overgegaan.

5.2. Niet in geschil is dat betrokkene vanaf de datum waarop zij bijstand ontving, te weten 30 november 2004, aanspraak had op haar aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap en later, na inschrijving van het echtscheidingsvonnis in het daarvoor bestemde register, op haar aandeel in de onverdeelde boedel. Verder staat vast dat betrokkene op 8 februari 2006 de beschikking heeft gekregen over € 24.016,71 uit de boedelscheiding, zodat vanaf die datum sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover bijstand is verleend.

5.3. Nu de aanspraak van betrokkene is ontstaan voor de aanvang van de bijstand dient bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van de datum met ingang waarvan bijstand werd verstrekt (30 november 2004). Daarin ligt tevens besloten dat na de peildatum voor het vaststellen van het vermogen ontstane schulden niet van invloed zijn op de hoogte van het voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB in aanmerking te nemen bedrag (zie onder meer de uitspraak van 10 juni 2008, LJN BD4661). Volgens betrokkene zijn de door haar opgevoerde schulden pas ontstaan na 30 november 2004, te weten in maart 2005, april 2005 en januari 2006. Reeds om die reden dienen de gestelde schulden, wat daarvan ook zij, bij de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing te blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 29 september 2006 ongegrond verklaren. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is tevens de grondslag aan het besluit van 6 november 2007 komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 2006 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 6 november 2007.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) J. Waasdorp.

NK