Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
08-4344 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Niet gebleken van wijzigingen van het GBA adres of van het verblijfadres van appellant, zodat anders dan het College en de rechtbank, de Raad van oordeel is dat niet kan worden gezegd dat appellant omtrent zijn woonsituatie onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt. Inlichtingenverplichting geschonden door niet vooraf te melden wanneer appellant naar het buitenland reisde. Niet aannemelijk dat appellant op enig moment in de beoordelingsperiode wegens overschrijding van de toegestane duur van het verblijf in het buitenland geen recht op bijstand heeft gehad. Afwijzing van de aanvraag om bijstand is niet gebaseerd op een deugdelijke motivering; volgt vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4344 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2008, 07/2197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. J.L. Wittensleger, kantoorgenoot van mr. Walker. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 8 maart 2002 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft hij als zijn officiële woonadres opgegeven [adres 1] te [woonplaats] en als zijn verblijfadres [adres 2] aldaar.

1.2. Na aanvankelijk buiten behandeling te zijn gesteld, is deze aanvraag bij besluit van 10 december 2003 afgewezen op de grond dat appellant dusdanig onvolledige inlichtingen heeft verschaft over zijn woonsituatie en zijn verblijf in het buitenland dat zijn recht op bijstand niet valt te beoordelen.

1.3. Bij besluit van 13 april 2004 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Dit besluit is door de Raad vernietigd bij uitspraak van 5 december 2006 (LJN AZ4400). Daarbij heeft de Raad het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.4. Bij het thans bestreden besluit van 26 april 2007, aangevuld bij besluit van 26 maart 2008, heeft het College het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het recht op bijstand van appellant en (tot 5 april 2002) van diens toenmalige echtgenote niet kan worden vastgesteld omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste en onvolledige inlichtingen te verstrekken omtrent zijn adres of woonsituatie binnen of buiten de gemeente.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Mede gelet op de reeds genoemde uitspraak van de Raad van 5 december 2006 dient het recht van appellant op bijstand te worden beoordeeld over de periode van 8 maart 2002 (datum aanvraag) tot 5 april 2002 naar de norm voor gehuwden en over de periode van 5 april 2002 tot en met 10 december 2003 (datum van het primaire weigeringsbesluit) naar de norm voor een alleenstaande.

4.2. Met betrekking tot beide perioden heeft het College de afwijzing van de aanvraag om bijstand gehandhaafd op grond van de overweging dat appellant tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn verblijfadres, niet heeft gereageerd op oproepen, mogelijke adreswijzigingen niet heeft gemeld, verblijfperiodes in het buitenland en in Utrecht niet heeft gemeld, niet heeft gemeld dat hij een huurcontract had afgesloten voor het adres [adres 3] te [woonplaats] en dit huurcontract ook niet heeft aangeleverd.

4.3. In de lijn van zijn uitspraak van 5 december 2006 stelt de Raad voorop dat appellant ook gedurende de tijd dat zijn aanvraag om bijstand buiten behandeling was gesteld onderworpen is gebleven aan de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie. Daarbij is van belang dat op de aanvraag nog niet onherroepelijk was beslist en dat hij nog immer beoogde met ingang van de aanvraagdatum voor bijstand in aanmerking te komen. Appellant was verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4. De op het aanvraagformulier voorgedrukte vraag naar zijn officiële woonadres is door appellant kennelijk en terecht opgevat als een vraag naar het adres waar hij in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) staat ingeschreven. Die vraag is door hem naar waarheid beantwoord. Vast staat immers dat hij ten tijde van de aanvraag om bijstand in de GBA was ingeschreven op het adres [adres 1]. Tevens heeft appellant naar waarheid aangegeven daar niet meer feitelijk te wonen. Hij heeft op geloofwaardige wijze uiteengezet dat hij zich genoodzaakt had gezien zijn meubilair van de hand te doen en dat hij bezig was zijn te duur geworden huurwoning aan de [adres 1] te ruilen voor de goedkopere woning aan de [adres 3], die echter eerst nog moest worden gerenoveerd en waarvoor om die reden nog geen schriftelijke huurovereenkomst was gesloten. In afwachting van de renovatie was hij genoodzaakt te verblijven bij zijn moeder of bij zijn kinderen, in het bijzonder bij zijn zoon aan de [adres 2]. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat hij niet ten onrechte [adres 2] als zijn verblijfadres heeft ingevuld. Dat hij rond die tijd feitelijk logeerde bij zijn moeder aan de [adres moeder] maakt dit niet anders, nu hij ook daarvan op het formulier melding heeft gemaakt en reeds te voorzien was dat deze situatie hoogstens enkele weken zou (kunnen) duren. Hetgeen naar voren is gekomen omtrent het logeren bij zijn moeder en bij zijn andere zoon in Utrecht rechtvaardigt niet de conclusie dat appellant op enig moment zijn woonplaats (verblijfadres) naar hen heeft verplaatst. Voorts heeft appellant zich, in overeenstemming met zijn reeds op het aanvraagformulier kenbaar gemaakte voornemen, in juni 2002 in de GBA laten inschrijven op het beoogde adres [adres 3]. Daarmee veranderde feitelijk niets in zijn woonsituatie (verblijfadres), nu die woning nog steeds niet bewoonbaar was gemaakt. Vervolgens is appellant buiten zijn toedoen uit de GBA uitgeschreven hetgeen hij, naar aannemelijk is geworden, bij de eerste gelegenheid ongedaan heeft laten maken. Voor het overige is in de ter beoordeling staande periode niet van wijzigingen van het GBA adres of van het verblijfadres van appellant gebleken. Anders dan het College en de rechtbank, is de Raad dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat appellant omtrent zijn woonsituatie onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt.

4.5. Dat appellant in april 2002 en opnieuw in september/oktober 2003 niet prompt is verschenen op een daartoe strekkende oproep, leidt niet tot een ander oordeel. In april 2002 is de oproep ten onrechte gezonden aan het adres [adres 1], waarvan bekend was dat appellant er niet feitelijk woonde. Evenzeer ten onrechte heeft het College ook geen nieuwe oproep verzonden met een hersteltermijn. Voldoende aannemelijk is geworden dat appellant heeft gereageerd zodra de oproep hem alsnog had bereikt - door zijn moeder te laten bellen - en dat het door ziekte, problemen met telefonische bereikbaarheid en de noodzaak eerst een nieuwe afspraak te maken tot 16 mei 2002 heeft geduurd voordat hij in persoon bij de gemeente is verschenen. Ook uit de gang van zaken in september/oktober 2003 kan de Raad geen concrete aanwijzingen destilleren dat appellant niet feitelijk op het opgegeven verblijfadres [adres 4] woonachtig was. Appellant heeft uiteengezet dat hij in die periode in verband met een sterfgeval in de familie naar Griekenland is gereisd alwaar hij 10 dagen heeft verbleven, maar dat hij vanuit Griekenland contact heeft opgenomen met de gemeente teneinde de afspraak te verzetten. Dat een en ander thans niet meer aan de hand van bescheiden is aan te tonen is mede een gevolg van het tijdsverloop, dat in dit geval in overwegende mate aan het College is toe te rekenen. Voorts moet de Raad constateren dat het College op geen enkel moment in de beoordelingsperiode aanleiding heeft gezien om door middel van een huisbezoek eventuele onduidelijkheid omtrent de woon- en leefsituatie weg te nemen.

4.6. Uit de door appellant afgelegde verklaringen blijkt wel dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet vooraf te melden wanneer hij naar het buitenland reisde. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen volgt dat hij dit wel had behoren te doen. De Raad acht evenwel op grond van de beschikbare gegevens niet aannemelijk dat appellant op enig moment in de beoordelingsperiode wegens overschrijding van de toegestane duur van het verblijf in het buitenland geen recht op bijstand heeft gehad. De hier aan de orde zijnde schending van de inlichtingenverplichting heeft dus geen gevolgen voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.7. De Raad concludeert dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand niet op grond van een deugdelijke motivering is gehandhaafd. Het bestreden besluit van 26 april 2007 dient derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.

4.8. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat er anderszins reden bestond om bijstand te weigeren, zal de Raad zelf in de zaak voorzien. Het bezwaar is gegrond en het primaire besluit van 10 december 2003 wordt herroepen. Aan appellant zal ten laste van de gemeente Amsterdam bijstand worden toegekend vanaf 8 maart 2002 tot 5 april 2002 naar de norm voor gehuwden en vanaf 5 april 2002 naar de norm voor een alleenstaande.

4.9. Nu aldus is voldaan aan de daarvoor in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarden, dienen de kosten van het bezwaar aan appellant te worden vergoed tot een bedrag van € 322,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierop komt in mindering de reeds bij het aanvullende besluit van 26 maart 2008 toegekende vergoeding ad € 80,50, zodat € 241,50 te vergoeden overblijft. De Raad zal het College daarin met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen.

5. De Raad acht voorts termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 april 2007;

Herroept het besluit van 10 december 2003;

Kent appellant bijstand toe zoals in rechtsoverweging 4.8 aangegeven;

Veroordeelt het College in de bezwaar- en proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.529,50, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en H.G. Lubberdink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. Waasdorp.

NW