Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9937

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
08-4262 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de aan appellante onder de gelding van de Abw verleende vrijstelling van de arbeidsverplichtingen. Het besluit op bezwaar van 7 februari 2006 is niet voldoende zorgvuldig voorbereid en derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Om die reden dient dit besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal de zaak zelf afdoen en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk geworden dat het nadere advies van de gemeentearts naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. In dit rapport is de werkelijke omvang van het door de gemeentearts verrichte lichamelijk onderzoek verduidelijkt. Ook overigens is de gemeentearts in haar nadere advies gemotiveerd ingegaan op de van de zijde van appellante opgeworpen bedenkingen. Aan de andersluidende opvatting van de medisch adviseur Schakel kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit het rapport van Schakel naar voren komt dat hij, in tegenstelling tot de gemeentearts, geen lichamelijk onderzoek bij appellante heeft verricht. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de conclusie van de gemeentearts dat appellante in staat is om gedurende 36-40 uur per week rugsparende arbeid te verrichten voldoende grondslag biedt voor het standpunt van het College dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB om de op grond van de Abw verleende vrijstelling van de arbeidsverplichtingen onder de gelding van de WWB tijdelijk voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4262 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 juni 2008, 06/483 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Voor appellante is mr. Bakker verschenen. Het College heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 november 2001 heeft het College haar op individuele gronden voorlopig vrijgesteld van de (arbeids)verplichtingen op grond van artikel 113 van de destijds van toepassing zijnde Algemene bijstandswet (Abw).

1.2. In het kader van de omzetting van de bijstand van Abw naar WWB heeft het College appellante bij besluit van 26 mei 2005 de verplichtingen tot arbeidsinschakeling bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgelegd. Daarbij is aangegeven dat rekening zal worden gehouden met haar lichamelijke beperkingen.

1.3. Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het College het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn - kort gezegd - de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2. Het primaire besluit van 26 mei 2005 strekt tot intrekking van de aan appellante onder de gelding van de Abw verleende vrijstelling van de arbeidsverplichtingen, zonder daarvoor een ontheffing op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB in de plaats te stellen. Blijkens de gedingstukken heeft het College aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante op 18 april 2002 door de toenmalige GGD arts arbeidsgeschikt is bevonden voor rugsparende arbeid, met afwisseling van werkhouding. Ervan uitgaande dat geen grote veranderingen waren opgetreden in haar lichamelijke beperkingen, was het College van oordeel dat aan appellante met inachtneming van die beperkingen de volledige arbeidsverplichtingen kunnen worden opgelegd.

4.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante, waarin onder meer is gesteld dat haar beperkingen waren toegenomen, heeft het College advies ingewonnen van een arts verbonden aan de Hulpverleningsdienst Groningen (hierna: gemeentearts). Deze heeft appellante onderzocht en informatie opgevraagd bij de behandelende sector. Blijkens haar advies van 15 november 2005 is de gemeentearts tot de conclusie gekomen dat de klachten van appellante slechts ten dele op een objectiveerbare aandoening berusten en dat appellante in staat is om gedurende 36-40 uur per week rugsparende arbeid te verrichten. Daarbij is onder rugsparend verstaan: afwisselend zittend, lopend en staand werk en geen zware lichamelijke arbeid, zoals zwaar tillen en overmatig bukken. In reactie op dit advies heeft appellante gemotiveerd aangegeven dat sprake is geweest van een onjuiste en onvolledige medische beoordeling, als gevolg waarvan haar beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning heeft zij verklaringen overgelegd van twee behandelende fysiotherapeuten. Vervolgens heeft het College het besluit op bezwaar van 7 februari 2006 genomen. Daarbij is het primaire besluit gehandhaafd op grond van de overweging dat het onderzoek van de gemeentearts zorgvuldig is geweest en dat geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat dit anders is. Wel heeft het College de beperking van appellante nader omschreven, op de wijze zoals in het advies van de gemeentearts aangegeven.

4.4. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat het advies van de gemeentearts ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende grondslag bood om dit besluit te kunnen dragen. Niet in geschil is dat de omschrijving van het door de gemeentearts verrichte lichamelijk onderzoek onvoldoende aansloot bij de aard van de door appellante naar voren gebrachte klachten. Later, in beroep bij de rechtbank, heeft de gemeentearts in een nader advies van 3 april 2007 uiteengezet dat het lichamelijk onderzoek in feite uitvoeriger is geweest dan in haar oorspronkelijke advies was vermeld. Ten tijde van de bestreden beslissing op bezwaar was dit echter nog niet bekend en kon het College daarmee dus geen rekening houden. Nu appellante in haar reactie op het oorspronkelijke advies uitdrukkelijk over de aard en omvang van het medisch onderzoek had geklaagd, onder overlegging van verklaringen van haar fysiotherapeuten, had het College niet mogen nalaten om nog in de bezwaarfase nader advies van de gemeentearts in te winnen. Dit klemt temeer nu het College bij het nemen van het primaire besluit van 26 mei 2005 zonder nadere medische beoordeling was afgegaan op het rapport van de GGD-arts van april 2002, in weerwil van het tijdsverloop en de stelling van appellante dat haar klachten inmiddels naar aard en omvang waren toegenomen. Nu aan appellante in de primaire fase een geactualiseerde medische beoordeling was onthouden, kwam extra nadruk te liggen op de zorgvuldigheid van de beoordeling door de gemeentearts in de bezwaarfase.

4.5. In zoverre slaagt het hoger beroep. Het besluit op bezwaar van 7 februari 2006 is niet voldoende zorgvuldig voorbereid en derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. Om die reden dient dit besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal de zaak zelf afdoen en overweegt daartoe als volgt.

4.6. In beroep bij de rechtbank heeft appellante opnieuw de conclusies van de gemeentearts bestreden. Zij heeft daartoe een aantal verklaringen van de behandelende sector en een rapport van de medisch adviseur Schakel in het geding gebracht. Het College heeft deze aanvullende gegevens om commentaar voorgelegd aan de gemeentearts. Deze heeft in haar - reeds onder 4.4 genoemde - nadere advies van 3 april 2007 uiteengezet dat en waarom de beoordeling van alle bij het beroepschrift aangeleverde gegevens haar geen aanleiding geven het advies van 15 november 2005 te herzien. Appellante heeft hierop gereageerd onder overlegging van een nader rapport van de medisch adviseur Schakel.

4.7. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk geworden dat het nadere advies van de gemeentearts naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. In dit rapport is de werkelijke omvang van het door de gemeentearts verrichte lichamelijk onderzoek verduidelijkt. Ook overigens is de gemeentearts in haar nadere advies gemotiveerd ingegaan op de van de zijde van appellante opgeworpen bedenkingen. Aan de andersluidende opvatting van de medisch adviseur Schakel kan de Raad geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit het rapport van Schakel naar voren komt dat hij, in tegenstelling tot de gemeentearts, geen lichamelijk onderzoek bij appellante heeft verricht.

4.8. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de conclusie van de gemeentearts dat appellante in staat is om gedurende 36-40 uur per week rugsparende arbeid te verrichten voldoende grondslag biedt voor het standpunt van het College dat geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB om de op grond van de Abw verleende vrijstelling van de arbeidsverplichtingen onder de gelding van de WWB tijdelijk voort te zetten.

4.9. De stelling van appellante dat het College duidelijker had moeten aangeven welke (soorten) werkzaamheden voor haar in aanmerking komen en welke niet, treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak is geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het College gehouden is om bij een besluit als het onderhavige uitputtend aan te geven welke werkzaamheden de betrokkene, gelet op diens beperkingen, nog kan verrichten (CRvB 25 januari 2007, LJN AZ7602). Met de uitdrukkelijke vermelding in het bestreden besluit dat rekening zal worden gehouden met de beperking tot rugsparende arbeid, waaronder wordt verstaan afwisselend zittend, lopend en staand werk en geen zware lichamelijke arbeid, zoals zwaar tillen en overmatig bukken, heeft het College in voldoende mate gepreciseerd hoe de verplichtingen tot arbeidsinschakeling in het geval van appellante moeten worden ingevuld. Een verdergaande (arbeidskundige) beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling was in het kader van de beslissing omtrent ontheffing van die verplichtingen nog niet aan de orde. Bij het uitzetten van een concreet re-integratietraject voor appellante zal aan dit aspect nader aandacht moeten worden besteed.

4.10. In zoverre slaagt het hoger beroep niet. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 805,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 februari 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.449,--, te betalen door de gemeente Groningen;

Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en H.G. Lubberdink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. Waasdorp.

NW