Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
07-1796 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Herziening WAO-uitkering. Bij het besluit op bezwaar is, evenals bij het primaire besluit, uitgegaan van per 8 juni 2004 toegenomen beperkingen, echter, niet voortkomend uit dezelfde (ziekte-)oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan eerder de WAO-uitkering aan appellante is toegekend, zodat zich niet een situatie voordoet als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO (Amber) en de wachttijd dus niet 4, maar 104 weken bedraagt. Duidelijk is dat, indien zou zijn komen vast te staan dat per 8 juni 2004 geen toename van de beperkingen heeft plaatsgevonden, de vraag over dezelfde ziekteoorzaak niet meer relevant zou zijn geweest en dus geen beantwoording meer zou hebben behoeft. deeld houdt, te weten of de toename van de beperkingen per 8 juni 2004 is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Aangezien de rechtbank zich in de aangevallen uitspraak - in het primaire spoor van de bezwaarverzekeringsarts - heeft beperkt tot de overweging dat per 8 juni 2004 geen toename van de beperkingen heeft plaatsgevonden (en dus niet meer is toegekomen aan beantwoording van de vraag of er sprake is van zijn voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak), kan die overweging de ongegrondverklaring door de rechtbank niet - mede - dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1796 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 februari 2007, 05/3649 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Mr. O. Walch, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg te Utrecht, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Plantenga, advocaat te Utrecht. Voor het Uwv is verschenen J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellante is bij besluit van 5 november 2001 per 3 november 2001 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 23 juni 2003 is die mate per 23 mei 2003 herzien naar 35-45% en tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

2. Per 8 juni 2004 heeft appellante zich voor haar restcapaciteit (zij heeft tot dan gedurende 24 uur per week haar eigen - aangepaste - werk verricht) ziek gemeld met cognitieve klachten, klachten over duizeligheid en een gevoel van disfunctioneren als gevolg van die klachten.

3. Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 juni 2004 is toegenomen, maar geweigerd de WAO-uitkering in aansluiting op een wachttijd van vier weken (gedurende welke de toegenomen arbeidsongeschiktheid moet hebben en in dit geval heeft voortgeduurd) te herzien onder overweging dat zij niet voldoet aan de voorwaarde daarvoor dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid moet voortkomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid waarvoor zij reeds uitkering ontvangt.

4. Bij besluit van 3 november 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 januari 2005 - met handhaving van dat besluit, onder overweging dat er geen sprake is van toename van de beperkingen ten gevolge van de reeds bekende ziekteoorzaak - ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 3 november 2005 ongegrond verklaard onder overweging dat:

- er onvoldoende objectieve aanknopingspunten voorhanden zijn om te komen tot het oordeel dat onjuist is het op - na zorgvuldig onderzoek tot stand gekomen - rapporten van verzekeringsarts D. Holtkamp en bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal gebaseerde standpunt van het Uwv dat per 8 juni 2004 geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van 23 mei 2003,

- het Uwv, gelet op artikel 39a van de WAO, op goede gronden heeft geweigerd de WAO-uitkering aan appellante te herzien, omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en

- er in de bezwaarprocedure geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

6. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij vergelijking van de op 13 januari 1999 gemaakte röntgenfoto’s met die welke zijn gemaakt op 1 februari 2005 blijkt van ten tijde van haar ziekmelding op 8 juni 2004 verslechtering van haar gezondheidssituatie als gevolg van artrose en fibromyalgie (klachten over duizeligheid en concentratiestoornissen alsmede toegenomen klachten over de onderrug met doortrekkende pijn naar de benen) en dat de behandelend reumatoloog in haar rapport van 8 maart 2005 ook heeft geconcludeerd dat er sprake is van progressieve klachten van duizeligheid, hoofdpijn en concentratiestoornissen op basis van degeneratieve afwijkingen van de cervicale wervelkolom en fibromyalgie.

7. Het Uwv heeft zich in zijn verweerschrift, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 25 mei 2007, gesteld op het standpunt dat er per 8 juni 2004 (gedurende vier weken) geen sprake was van toename van objectiveerbare beperkingen.

8.1. De Raad overweegt als volgt.

8.2. Bij het besluit op bezwaar is, evenals bij het primaire besluit, uitgegaan van per 8 juni 2004 toegenomen beperkingen, echter, niet voortkomend uit dezelfde (ziekte-)oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan eerder de WAO-uitkering aan appellante is toegekend, zodat zich niet een situatie voordoet als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO (Amber) en de wachttijd dus niet 4, maar 104 weken bedraagt. Duidelijk is dat, indien zou zijn komen vast te staan dat per 8 juni 2004 geen toename van de beperkingen heeft plaatsgevonden, de vraag over dezelfde ziekteoorzaak niet meer relevant zou zijn geweest en dus geen beantwoording meer zou hebben behoeft.

Gelijk het Uwv ter zitting van de Raad desgevraagd heeft bevestigd, zijn partijen het er met elkaar over eens dat er per 8 juni 2004 (minstens vier weken lang) sprake is geweest van toename van de beperkingen, maar geven partijen een verschillend antwoord op de vraag of die toename is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Blijkens de stukken heeft de bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarfase als standpunt ingenomen primair dat er per 8 juni 2004 geen sprake is geweest van toename van de beperkingen en subsidiair dat die toename niet is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Dat de bezwaarverzekeringsarts dat primaire en subsidiaire standpunt sedertdien is blijven innemen, neemt niet weg dat het besluit op bezwaar uitgangspunt is en dat ter toets staat hetgeen partijen verdeeld houdt, te weten of de toename van de beperkingen per 8 juni 2004 is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak.

8.3. Aangezien de rechtbank zich in de aangevallen uitspraak - in het primaire spoor van de bezwaarverzekeringsarts - heeft beperkt tot de overweging dat per 8 juni 2004 geen toename van de beperkingen heeft plaatsgevonden (en dus niet meer is toegekomen aan beantwoording van de vraag of er sprake is van zijn voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak), kan die overweging de ongegrondverklaring door de rechtbank niet - mede - dragen.

8.4. Rijst vervolgens de vraag of de cognitieve klachten en de klachten over duizeligheid (met als gevolg een gevoel van disfunctioneren) waarmee appellante zich per 8 juni 2004 heeft ziek gemeld, zijn toe te schrijven aan dezelfde ziekteoorzaak als die op basis waarvan aan haar per 3 november 2001 WAO-uitkering is toegekend.

8.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 31 oktober 2005 gerapporteerd dat de toekenning heeft plaatsgevonden op grond van diverse beperkingen van het houdings- en bewegingsapparaat alsmede een urenbeperking van 20 uur per week als gevolg van fibromyalgie, dus op grond van lichamelijke klachten en beperkingen. De cognitieve klachten en klachten over duizeligheid per 8 juni 2004 komen niet voort uit dezelfde oorzaak, aldus in dat rapport de bezwaarverzekeringsarts, die in beroep op 14 december 2005 en 10 augustus 2006 en in hoger beroep op 25 mei 2007 dat standpunt uitgebreid heeft toegelicht met een reactie ook op de door appellante in de bezwaarfase ingebrachte rapporten van de radioloog van 1 februari 2005 en de reumatoloog van 8 maart 2005, van wie de laatste als haar mening heeft gegeven dat de klachten over duizeligheid en concentratiestoornissen zowel bij de fibromyalgie als bij de degeneratieve afwijkingen op de cervicale wervelkolom zouden kunnen passen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende besproken dat en overtuigend gemotiveerd waarom die klachten niet zijn toe te schrijven aan de oorzaak van de klachten en beperkingen die hebben geleid tot de toekenning per 3 november 2001. De Raad kan zich geheel vinden in die motivering. Dit betekent dat per 8 juni 2004 geen zogenoemde Amber-beoordeling heeft voorgelegen en dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft verklaard, zij het op een verkeerde grond die hierbij door de Raad wordt verbeterd.

8.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en dus de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en te bepalen dat aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht wordt vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, aan appellante te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ