Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
07-5795 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitenbehandeling stelling aanvraag om bijstand. Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Het College heeft dan ook terecht verzocht om alle bankafschriften van de op naam van appellant staande girorekening van de afgelopen drie maanden. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde bankafschriften niet binnen de bij brief van 2 november 2005 vergunde hersteltermijn heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad is appellant, die niet heeft verzocht om verlenging van de hem gegeven termijn, voldoende tijd gegeven om de benodigde gegevens over te leggen. De Raad is niet gebleken dat appellant, ten tijde hier van belang, vanwege zijn psychische toestand buiten staat is geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen of uitstel te vragen voor het aanleveren van de stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5795 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 september 2007, 06/419 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 april 2009. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 3 oktober 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij brief van 2 november 2005 heeft het College appellant gevraagd om uiterlijk op 10 november 2005 ontbrekende stukken in te leveren. Bij besluit van 14 november 2005 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellant niet binnen de in de brief van 2 november 2005 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Appellant heeft op 23 november 2005 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Het College heeft bij besluit van 1 december 2005 bijstand toegekend ingaande 23 november 2005.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 10 februari 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 14 november 2005 en 1 december 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aanvraag van 3 oktober 2005

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Het College heeft dan ook terecht verzocht om alle bankafschriften van de op naam van appellant staande girorekening van de afgelopen drie maanden.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde bankafschriften niet binnen de bij brief van 2 november 2005 vergunde hersteltermijn heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad is appellant, die niet heeft verzocht om verlenging van de hem gegeven termijn, voldoende tijd gegeven om de benodigde gegevens over te leggen. In dit verband wijst de Raad, evenals de rechtbank, er op dat appellant reeds vóór de bij brief van 2 november 2005 vergunde hersteltermijn bij brief van 25 oktober 2005 op de hoogte was gesteld van de aan hem, in het kader van zijn bijstandsaanvraag van 3 oktober 2005, gevraagde ontbrekende gegevens waaronder de bankafschriften over de laatste drie maanden. De Raad ziet verder in de stukken geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellant dat hij op grond van gesprekken met zijn contactpersoon, in de veronderstelling kon verkeren dat hij de gevraagde ontbrekende gegevens slechts op afspraak diende in te leveren en dat hij hiervoor vergeefs meerdere malen telefonisch contact met zijn contactpersoon heeft gezocht. Daarbij wordt nog opgemerkt dat appellant de gevraagde kopie van zijn verblijfsvergunning desondanks, zonder daarvoor een afspraak te maken, heeft ingeleverd bij de balie van de dienst Sociale Zaken en Werk gemeente Groningen. De Raad is niet gebleken dat appellant, ten tijde hier van belang, vanwege zijn psychische toestand buiten staat is geweest om over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen of uitstel te vragen voor het aanleveren van de stukken.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag voor bijstand van 3 oktober 2005 buiten

behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen

maken.

De aanvraag van 23 november 2005

4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.6. De Raad stelt vast dat appellant het standpunt inneemt dat sprake is van bijzondere omstandigheden om eerder dan 23 november 2005 bijstand toe te kennen zonder concreet aan te geven waaruit deze omstandigheden bestaan. Ook de Raad is, evenals de rechtbank, niet gebleken van bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening voorafgaand aan de op 23 november 2005 ingediende bijstandsaanvraag. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank worden volledig door de Raad onderschreven en leiden tot het oordeel dat het College de ingangsdatum op goede gronden op 23 november 2005 heeft gesteld.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. Nu het beroep in eerste aanleg ongegrond is verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, is er geen ruimte voor de door appellant in hoger beroep verzochte schadevergoeding zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A. Badermann.

IA