Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
08-3413 WTOS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om de berekening van het toetsingsinkomen in de zin van artikel 2.24 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) te baseren op zijn inkomen in 2005 in plaats van op zijn inkomen in het peiljaar 2004. Uit de jurisprudentie, van de Raad zoals neergelegd in onder andere de uitspraak van 29 maart 2002, LJN AE3761, vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschommelingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen. Naar het oordeel van de Raad heeft de IB-Groep zich in het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inkomensdaling tot de normale risico’s behoort bij de door appellant gekozen wijze van inkomensverwerving. Ten aanzien van appellants beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, van de WTOS heeft de rechtbank geoordeeld dat zich geen situatie voordoet die de IB-Groep ertoe had moeten brengen om de wet met toepassing van deze bepaling buiten toepassing te laten. De Raad onderschrijft deze overwegingen en maakt deze tot de zijne

Wetsverwijzingen
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2.24
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2.28
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 11.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3413 WTOS

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 mei 2008, kenmerk 07/1679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Op 10 april 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is in persoon verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

2. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft de IB-Groep het verzoek van appellant afgewezen om de berekening van zijn toetsingsinkomen in de zin van artikel 2.24 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) te baseren op zijn inkomen in 2005 in plaats van op zijn inkomen in het peiljaar 2004. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 11 juni 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant bestreden dat de terugval van zijn inkomen na het peiljaar 2004 kan worden gerekend tot 'inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving' als bedoeld in artikel 2.28, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WTOS. Daarnaast verzet appellant zich ertegen dat de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.4 van de WTOS buiten toepassing is gelaten.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Uit de jurisprudentie, van de Raad zoals neergelegd in onder andere de uitspraak van 29 maart 2002, LJN AE3761, vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschommelingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.

5.2. Appellant was ten tijde in geding werkzaam als zelfstandig makelaar. Hij is in april 2002 voorlopig ingeschreven in het register van de Stichting Certificering VBO-makelaars. Deze inschrijving is per 1 januari 2004 be?indigd.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 19 december 2006 is op vordering van de Stichting voormeld op straffe van een dwangsom appellant verboden handelingen te verrichten waardoor op enigerlei wijze de schijn wordt gewekt dat hij in voormeld register als makelaar/taxateur is ingeschreven.

5.3. Niet in geschil is dat het inkomen van appellant als gevolg van de onder 5.2 beschreven omstandigheden in 2005 aanzienlijk lager was dan in 2004. Naar het oordeel van de Raad heeft de IB-Groep zich in het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de inkomensdaling tot de normale risico’s behoort bij de door appellant gekozen wijze van inkomensverwerving.

Het door appellant uitoefenen van zijn beroep op basis van een voorlopige inschrijving en het er niet voor zorgdragen dat deze voorlopige inschrijving wordt verlengd of wordt omgezet in een definitieve inschrijving brengt als normaal risico met zich dat het inkomen van appellant daalt. Immers, zonder deze inschrijving kon appellant een aanzienlijk deel van zijn in 2004 uitgevoerde werkzaamheden in 2005 niet meer verrichten. De omstandigheid dat appellant van opvatting is dat de inschrijving in meerbedoeld register ten onrechte is beëindigd en het vonnis van de voorzieningenrechter bedoeld in 5.2 onjuist is, doet aan het vorenstaande niet af.

5.4. Ten aanzien van appellants beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, van de WTOS heeft de rechtbank geoordeeld dat zich geen situatie voordoet die de IB-Groep ertoe had moeten brengen om de wet met toepassing van deze bepaling buiten toepassing te laten. Dit kan slechts, naar de rechtbank heeft overwogen, indien onverkorte toepassing van de wet, gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De verlegging van het peiljaar is reeds een uitzondering op de hoofdregel. Slechts in zeer bijzondere gevallen kan aanleiding bestaan om nog verdergaande uitzonderingen aan te nemen. Er moet dan sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien. Van dat soort omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Dat inkomsten fluctueren is door de wetgever voorzien en daarvoor is een regeling getroffen, aldus de rechtbank. De Raad onderschrijft deze overwegingen en maakt deze tot de zijne.

6. Gelet op het voorgaande faalt het hoger beroep van appellant, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

JL