Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
08-3050 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAZ is, voor zover hier van belang, bepaald dat de toekenning van een uitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden aan een verzekerde, die een wachttijd heeft doorgemaakt en aan het einde daarvan ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als die verzekerde binnen vijf jaar na het einde van die eerder doorgemaakte wachttijd arbeidsongeschikt wordt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en hij een wachttijd van vier weken heeft doorlopen. In zijn rechtspraak over artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), dat eveneens bij de zogeheten wet Amber in de WAO is opgenomen en dat een soortgelijke bepaling bevat in verband met herziening van uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft de Raad overwogen dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil artikel 39a van de WAO niet van toepassing zijn. In zijn uitspraak van 15 april 2008 (LJN BD1409) heeft de Raad geen aanleiding gevonden bij de uitleg van artikel 20 van de WAZ daarover anders te oordelen. Uit de in deze rechtspraak van de Raad met betrekking tot de uitleg van de in - onder meer - artikel 20 van de WAZ vervatte causaliteitseis, volgt dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. Diegene dient derhalve nadere gegevens in de hiervoor aangegeven zin aan te dragen, welke buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is.

Wetsverwijzingen
Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 20
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 39a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3050 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 april 2008, 06/2205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Daarbij was gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 23 mei 2008.

Namens betrokkene heeft mr. H. Dreesmann-Bruijntjes, advocaat te Honselersdijk, een verweerschrift ingediend. Daarop is door appellant gereageerd door indiening van een rapport van Van Duijn, voornoemd, van 6 februari 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2009, waar namens appellant is verschenen A.W.G. Determan, terwijl betrokkene in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T. Meijer, kantoorgenoot van mr. Dreesmann-Bruijntjes.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is begin januari 2001 uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig horecaondernemer als gevolg van rug-, long-, been- en psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd van 52 weken is hem een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) geweigerd, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3. Bij brief van 8 augustus 2005 heeft betrokkene gemeld dat hij meerdere klachten heeft gekregen waardoor zijn situatie ernstig is verslechterd.

1.4. Naar aanleiding van deze melding heeft verzekeringsarts G. de Boer op 27 september 2005 een onderzoek verricht. In zijn rapport van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat van geen van de in 2001/2002 bij betrokkene bestaande stoornissen een duidelijke verergering kan worden vastgesteld. Er is wel sprake van een nieuwe, andere klacht, namelijk nekklachten en bepaalde klachten in de handen op grond van een aandoening van de nekwervelkolom, te weten cervicale artrose. Volgens deze verzekeringsarts is er geen sprake van dezelfde oorzaak als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b van de WAZ.

1.5. Vervolgens heeft appellant betrokkene bij besluit van 5 oktober 2005 een WAZ-uitkering geweigerd.

1.6. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts F. Muradin betrokkene gezien op de hoorzitting. Muradin heeft informatie ingewonnen bij de behandelend huisarts H.L. Lim, die heeft gereageerd bij brief van 6 januari 2006, waarbij tevens gegevens over de medische voorgeschiedenis van betrokkene waren gevoegd, en bij behandelend neuroloog D.J. Kamphuis, die heeft gereageerd bij brief van 17 januari 2006. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 7 februari 2006 geconcludeerd dat de primaire verzekeringsarts terecht tot de conclusie is gekomen dat betrokkene niet toegenomen beperkt is als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan hij destijds ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

1.7. Bij besluit van 7 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft aanleiding gezien de neuroloog A.H.C. Geerlings als deskundige te benoemen. In zijn rapport van 11 juli 2007 heeft Geerlings de rechtbank van verslag en advies gediend. Daarin is hij tot de conclusie gekomen dat bij betrokkene op de datum in geding, 8 augustus 2005, sprake was van myogene pijnklachten van de cervicale en lumbale wervelkolom als gevolg van degeneratieve afwijkingen, met daarnaast lichte prikkelingsverschijnselen op cervicaal niveau van afgaande zenuwwortels, links meer dan rechts, zonder daardoor opgetreden neurologische uitval. In ieder geval bestonden de nekklachten al voor 2002, aldus de deskundige, en is er sprake geweest van een toename daarvan. In zijn reactie van 26 oktober 2007 heeft Geerlings zijn standpunt gehandhaafd.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusie van Geerlings niet te volgen. Daarbij heeft zij overwogen dat de door haar benoemde deskundige bij genoemde brief van 26 oktober 2007 afdoende heeft gereageerd op hetgeen in een rapport door bezwaarverzekeringsarts Van Duijn van 9 augustus 2007 naar aanleiding van het rapport van Geerlings naar voren was gebracht.

2.3. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit, als genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen.

3.1. Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat naar zijn mening niet hard is gemaakt dat het in 2001/2002 door de verzekeringsarts vastgestelde beeld enige relatie vertoont met het toestandsbeeld van betrokkene per 8 augustus 2005. Destijds was geen sprake van degeneratieve afwijkingen van de rug. Naar de mening van appellant zijn de in 2005 aangegeven klachten in nek en schouder duidelijk te relateren aan degeneratieve afwijkingen.

3.2. Betrokkene heeft naar voren gebracht dat de (chronische) klachten en beperkingen die hij in 2005 had voortvloeien uit de klachten die hij al in 2001/2002 had.

4.1. De Raad overweegt allereerst ambtshalve het volgende.

4.2. Nadat partijen hiervoor schriftelijk toestemming hadden verleend, is de aangevallen uitspraak tot stand gekomen zonder nadere zitting. Na het verlenen van die toestemming heeft de rechtbank bij brieven van 22 februari 2008 de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 7 februari 2008 aan betrokkene doen toekomen en gelijktijdig het onderzoek gesloten. Zoals de Raad al vaker tot uitdrukking heeft gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2003, LJN AF8588 en van 26 oktober 2007, LJN BB6659), staat het de rechter, in geval nieuwe processtukken aan het procesdossier worden toegevoegd, niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. De aangevallen uitspraak is derhalve niet rechtsgeldig tot stand gekomen en dient te worden vernietigd. De Raad acht het echter niet aangewezen om de zaak naar de rechtbank terug te wijzen. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat hij geen nadere behandeling door de rechtbank nodig acht en dat partijen ter zitting van de Raad hebben verklaard een uitspraak van de Raad te wensen.

4.3. Ten aanzien van de zaak ten gronde overweegt de Raad het volgende.

4.3.1. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAZ is, voor zover hier van belang, bepaald dat de toekenning van een uitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden aan een verzekerde, die een wachttijd heeft doorgemaakt en aan het einde daarvan ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als die verzekerde binnen vijf jaar na het einde van die eerder doorgemaakte wachttijd arbeidsongeschikt wordt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en hij een wachttijd van vier weken heeft doorlopen.

4.3.2. In zijn rechtspraak over artikel 39a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), dat eveneens bij de zogeheten wet Amber in de WAO is opgenomen en dat een soortgelijke bepaling bevat in verband met herziening van uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak, heeft de Raad overwogen dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil artikel 39a van de WAO niet van toepassing zijn. In zijn uitspraak van 15 april 2008 (LJN BD1409) heeft de Raad geen aanleiding gevonden bij de uitleg van artikel 20 van de WAZ daarover anders te oordelen. Uit de in deze rechtspraak van de Raad met betrekking tot de uitleg van de in - onder meer - artikel 20 van de WAZ vervatte causaliteitseis, volgt dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. Diegene dient derhalve nadere gegevens in de hiervoor aangegeven zin aan te dragen, welke buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Waar in het hoger beroepschrift appellant heeft aangevoerd dat “niet hard gemaakt is” dat het in 2001 vastgestelde beeld enige relatie vertoont met het toestandsbeeld van betrokkene per 8 augustus 2005, merkt de Raad op dat appellant -ten onrechte- van een andere maatstaf lijkt uit te gaan.

4.4.1 Naar het oordeel van de Raad is appellant er ten aanzien van betrokkene niet in geslaagd buiten twijfel te stellen dat van het oorzakelijk verband, als hiervoor aangegeven, geen sprake is.

4.4.2. Daartoe heeft de Raad laten wegen dat de huisarts van betrokkene in zijn verklaring van 6 januari 2006 heeft bericht dat hij betrokkene al langere tijd met nek/schouder/lage rugklachten kent. Betrokkene zelf heeft aangegeven dat de nekklachten al sinds ongeveer 2000 bestaan. Voorts stelt de Raad vast dat de door de rechtbank benoemde deskundige Geerlings in zijn rapport van 11 juli 2007 heeft aangegeven dat de pijnklachten van de nek al vele jaren bestonden zonder dat hij over informatie beschikte om te kunnen aangeven vanaf welk jaar precies, maar in ieder geval bestonden deze ook al voor 2002. De in de nek geconstateerde afwijkingen betreffen degeneratieve veranderingen, in de zin van (ernstige) artrose, die in de loop van vele jaren in het leven geleidelijk toenemen, aldus deze deskundige.

4.4.3. De Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval af te wijken van het uitgangspunt het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter benoemde deskundige te volgen. De Raad heeft daarbij acht geslagen op de omstandigheid dat de deskundige, desgevraagd, zijn conclusie na kennisname van het andersluidende standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, heeft gehandhaafd.

5. Uit 4.3 tot en met 4.4.3 vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd en dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

6. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 19,76 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.468,76.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 7 februari 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskostenkosten van betrokkene tot een bedrag groot € 1.468,76, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR