Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
08-2467 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratievisie en herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad stelt allereerst vast dat het geding in hoger beroep beperkt is tot de herziening van de WAO-uitkering. Tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de re-integratievisie heeft appellante geen beroepsgronden gericht. Uit het beroepschrift kan niet worden afgeleid dat zij de re-integratievisie en de totstandkoming daarvan nog langer ter discussie stelt. De Raad is van oordeel dat Van der Voort genoegzaam heeft gemotiveerd waarom zij afwijkt van de opvatting van Bellinga. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep nadere medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan het afgewogen standpunt van Van der Voort. De Raad ziet niet in waarom appellante, nadat zij kennis had genomen van de rapportage van Van der Voort en de brief van Bellinga, niet zelf bij haar behandelend psycholoog op een motivering van haar opvatting over het ontbreken van arbeidsmogelijkheden had kunnen aandringen. De Raad leidt uit het feit dat na de ziekmelding van 14 december 2006 geen Amber-beoordeling heeft plaatsgevonden, en daarop evenmin door appellante is aangedrongen, af dat aan die ziekmelding een andere ziekteoorzaak ten grondslag ligt dan aan de uitval van appellante in 1996.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2467 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008, 07/151 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2009. Voor appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt in verband met psychische klachten sinds 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het Uwv appellante een re-integratievisie toegezonden. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 juli 2006 bepaald op 45 tot 55%.

1.2. Namens appellante is tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van

1 december 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen ten grondslag een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Y. van der Voort, die de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen in verband met de psychiatrische problematiek en de persoonlijkheidsproblematiek onderschrijft, en van de bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens, die een aantal van de aanvankelijk geduide functies niet geschikt acht, maar op basis van de resterende functies eveneens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55 berekent. Meertens is van oordeel dat de re-integratievisie correct is opgesteld.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld en betoogd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid omdat geen informatie is ingewonnen bij haar behandelaars, dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) haar beperkingen niet juist weergeeft en dat in de re-integratievisie ten onrechte is vermeld dat zij het met die visie eens zou zijn.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Met betrekking tot de re-integratievisie heeft de rechtbank als haar oordeel uitsproken dat instemming van de uitkeringsgerechtigde geen voorwaarde is voor de uiteindelijke vaststelling van het plan. Met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering stelt de rechtbank vast dat de bezwaarverzekeringsarts de door haar verkregen informatie van de behandelend psycholoog bij de heroverweging heeft betrokken en met de door de psycholoog beschreven dwangklachten rekening heeft gehouden. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan de FML, waarvan onderdeel is een urenbeperking van ongeveer 20 uur per week. De rechtbank is met de door de bezwaararbeidsdeskundige in de aan het bestreden besluit voorafgaande rapportage gegeven toelichting voldoende overtuigd van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag liggende functies.

3. Namens appellante is in hoger beroep gesteld dat het onzorgvuldig is dat de bezwaarverzekeringsarts de opvatting van de behandelend psycholoog dat appellante niet in staat is om 20 uur per week te werken terzijde heeft geschoven en dat betekenis toekomt aan een latere ziekmelding van appellante. Verder heeft zij herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan in de FML zijn verwoord.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het geding in hoger beroep beperkt is tot de herziening van de WAO-uitkering. Tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de re-integratievisie heeft appellante geen beroepsgronden gericht. Uit het beroepschrift kan niet worden afgeleid dat zij de re-integratievisie en de totstandkoming daarvan nog langer ter discussie stelt. Het enkele feit dat zij in de toelichting op haar beroepsgrond, die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat op zorgvuldige wijze de belastbaarheid van appellante is vastgesteld, vermeldt dat zij beoogt de volledige procesgang aan de Raad voor te leggen maakt niet duidelijk of zij, en zo ja op welke gronden, het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de re-integratievisie aanvalt. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante er ter zitting van de Raad mee volstaan naar die toelichting te verwijzen.

4.2. De Raad stelt verder vast dat de bezwaarverzekeringsarts Van der Voort in haar bevindingen bij onderzoek van appellante op 27 september 2006 aanleiding zag om informatie in te winnen bij de behandelend GZ-psycholoog R. Bellinga. De gevraagde informatie heeft Bellinga bij brief van 23 oktober 2006 verstrekt. Daarbij heeft Bellinga laten weten dat het haar niet mogelijk lijkt dat appellante gezien haar ernstige dwangklachten 20 uur per week kan werken. Van der Voort heeft blijkens haar rapportage van 9 november 2006 na ontvangst van de brief van Bellinga enkele malen getracht telefonisch contact met haar te leggen om – naar de Raad begrijpt – een onderbouwing te verkrijgen van de opvatting dat appellante niet in staat zou zijn om 20 uur per week in arbeid te functioneren. Dat Van der Voort op enig moment haar pogingen om met Bellinga in contact te komen heeft gestaakt, maakt nog niet dat de medische heroverweging in bezwaar onvoldoende is geweest. Uit de rapportage van Van der Voort blijkt dat rekening is gehouden met de diagnose die Bellinga bij haar ten tijde van de verlaging van de WAO-uitkering aangevangen behandeling had gesteld en met de aard van de ingezette therapie. Van der Voort is bij haar beoordeling uitgegaan van een ernstige psychiatrische aandoening met daarbij forse beperkingen als al vastgelegd in de FML. Zij heeft in haar rapportage uiteengezet dat er daarnaast sprake is van een uitgebreide gezinsproblematiek die bij de vaststelling van de functionele mogelijkheden buiten beschouwing blijft. De Raad is van oordeel dat Van der Voort genoegzaam heeft gemotiveerd waarom zij afwijkt van de opvatting van Bellinga. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep nadere medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan het afgewogen standpunt van Van der Voort. De Raad ziet niet in waarom appellante, nadat zij kennis had genomen van de rapportage van Van der Voort en de brief van Bellinga, niet zelf bij haar behandelend psycholoog op een motivering van haar opvatting over het ontbreken van arbeidsmogelijkheden had kunnen aandringen.

4.3. Ter zitting van de Raad heeft appellante het standpunt, dat de acceptatie van haar ziekmelding op 14 december 2006 een aanwijzing is dat haar medische situatie op de datum in geding van 23 juli 2006 niet juist is ingeschat, onderbouwd door te wijzen op een rapportage die is uitgebracht door een bezwaarverzekeringsarts in een voor appellante gunstig verlopen bezwaarprocedure na een besluit tot intrekking van de uitkering ingevolge de Ziektewet. De vertegenwoordiger van het Uwv heeft bevestigd dat appellante vanaf 14 december 2006 gedurende 104 weken ziekengeld heeft ontvangen en dat haar WAO-uitkering met ingang van 10 december 2008 weer wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad leidt uit het feit dat na de ziekmelding van 14 december 2006 geen Amber-beoordeling heeft plaatsgevonden, en daarop evenmin door appellante is aangedrongen, af dat aan die ziekmelding een andere ziekteoorzaak ten grondslag ligt dan aan de uitval van appellante in 1996.

4.4. De Raad is tenslotte met de rechtbank van oordeel dat er op grond van alle beschikbare medische informatie geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de beperkingen zoals vastgelegd in de FML van 18 april 2006. Het bestreden besluit berust op een voldoende medische grondslag. Ook de Raad is van oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.

4.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en M. Greebe en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) J.M. Tason Avila.

KR