Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
25-06-2009
Zaaknummer
08-2029 WWB + 09-1384 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. Raad is niet bevoegd. Doorzending aan Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2) Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Aan anonieme tips en ongespecificeerde waarnemingen geen bewijswaarde toekennen. Overige onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag. Observaties toegestaan. Het feit dat schending van de inlichtingenverplichting als zodanig een strafbaar feit kan opleveren, betekent niet dat het bestuursorgaan gehouden is aan de betrokkene bescherming te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Geen criminal charge, op grond waarvan recht bestaat op aanwezigheid raadsman vanaf aanvang van het onderzoek. Geen schending art. 6, lid 3 EVRM. Geen sprake van ontoelaatbaar verkregen bewijs. Geen rden om appellante niet aan haar verklaringen te houden, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedreiging. Verklaringen buurtgenoten toelaatbaar. Gezamenlijke huishouding beoordelen op basis van objectieve criteria, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie kan niet van belang zijn. Voor het voldoen aan het zorgcriterium is niet vereist dat sprake is van een min of meer gelijke bijdrage in de kosten van de huishouding of van gelijkwaardigheid in de omvang van de over en weer verleende zorg. Niet is gebleken dat de zorg volstrekt eenzijdig is geweest. 3) Terugvordering. De rechtbank heeft de terugvordering gedeeltelijk vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van de terugvordering voor een gedeelte in stand gelaten. Dit is niet juist. Een terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één daarin te vermelden bedrag en dat besluit ingevolge artikel 60, derde lid, van de WWB een executoriale titel oplevert. 4) Afwijzing aanvraag bijstand. Geen wijziging in omstandigeheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 17
Beroepswet
Beroepswet 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/226 met annotatie van Balkema
JWWB 2009, 179
FED 2009/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2029 WWB

09/1384 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 maart 2008, 06/9988 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het College heeft een nader besluit van 17 juli 2008 aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Voor appellante is mr. Kuijper verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van het College sedert 1 juni 1995 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Voorts ontving appellante van het College over het jaar 2005 een tegemoetkoming in de kosten van noodzakelijke kinderopvang op grond van de Wet kinderopvang.

1.2. Onder meer naar aanleiding van enkele anonieme tips dat appellante op haar adres met [d. S.] (hierna: [d. S.]) zou samenwonen heeft het College de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Zoetermeer (hierna: sociale recherche) een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, zijn in de periode van 16 maart 2005 en 17 mei 2005 waarnemingen verricht, is in de periode van 25 mei 2005 tot 22 juni 2005 een stelselmatige observatie uitgevoerd, zijn appellante en [d. S.] verhoord en hebben diverse buurtbewoners/getuigen verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 8 december 2005.

1.3. Bij besluit van 13 september 2005 (hierna: besluit 1) heeft het College de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 september 2005 in afwachting van de afronding van het onderzoek opgeschort.

1.4. Bij besluit van 21 september 2005 (hierna: besluit 2) heeft het College de bijstand met ingang van 1 september 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft inlichtingen te verstrekken die voor het recht op bijstand van belang zijn.

1.5. Bij besluit van 10 november 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 november 2005, reg.nrs. 05/6870 en 05/8082, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep tegen het besluit van 10 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid en 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en bepaald dat het College met inachtneming van de uitspraak opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 beslist.

1.6. Bij besluit van 2 november 2005 (hierna: besluit 3) heeft het College de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot en met 31 augustus 2005 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 53.313,86 van haar teruggevorderd. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante met [d. S.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat zij daarvan in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het College. Bij besluit 3 heeft het College voorts met ingang van 1 januari 2005 de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang ingetrokken en die tegemoetkoming tot een bedrag van € 739,28 van appellante teruggevorderd.

1.7. Op 2 november 2005 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 15 november 2005 (hierna: besluit 4) heeft het College deze aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.

1.8. Bij besluit van 3 augustus 2006 (hierna: besluit 5) heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de intrekking van de bijstand heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante en [d. S.] vanaf 18 februari 2002 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd aangezien zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren en dat appellante daarvan geen melding heeft gemaakt bij het College.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor een gezamenlijke huishouding over de periode van 18 februari 2002 tot 1 juni 2002. Volgens de rechtbank bestaat er wel voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellante en [d. S.] van 1 juni 2002 tot 21 september 2005 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Aangezien eerst op 14 augustus 2002 uit de relatie van appellante en [d. S.] een kind is geboren, heeft het College de gezamenlijke huishouding over de periode van 1 juni 2002 tot 14 augustus 2002 echter ten onrechte gebaseerd op het wettelijk rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Niettemin achtte de rechtbank ook gedurende die periode een gezamenlijke huishouding aanwezig, aangezien appellante en [d. S.] blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar.

2.2. Gelet op de in 2.1 genoemde overwegingen heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en besluit 5 vernietigd voor zover het de handhaving van besluit 3 tot intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 14 augustus 2002 betreft, bepaald dat de rechtsgevolgen van de handhaving van de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot 14 augustus 2002 in stand blijven en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen over de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 1 juni 2002 met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voorts besluit 5 vernietigd voor zover het de handhaving van de afwijzing van de aanvraag betreft en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit deel van besluit 5 in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het College ten onrechte artikel 4:6 van de Awb aan de handhaving van die afwijzing ten grondslag heeft gelegd, maar dat die wel kan worden gebaseerd op de grond dat appellante er niet in is geslaagd aan te tonen dat er sinds de intrekking van de bijstand sprake was van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldeed aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

2.4. Ten slotte heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot en met 31 augustus 2005, de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2005, de terugvordering van de kosten van bijstand, de afwijzing van de aanvraag om bijstand alsmede op de intrekking en de terugvordering van de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang.

4. Bij besluit van 17 juli 2008 (hierna: besluit 6) heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bepaald dat de intrekking van de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 1 juni 2002 niet wordt gehandhaafd en dat ook de terugvordering van de kosten van bijstand over die periode achterwege blijft en het bezwaar van appellante in zoverre alsnog gegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het College een herberekening van de ten onrechte verstrekte uitkering over de periode 1 juni 2002 tot en met 31 augustsus 2005 gevoegd. De Raad merkt besluit 6 aan als een besluit dat met (overeenkomstige) toepassing in hoger beroep van de artikel 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van de Awb in de procedure dient te worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De tegemoetkoming Wet kinderopvang

5.1.1. De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk ziet op de intrekking en terugvordering van de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen die uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan - voor zover hier van belang - een belanghebbende bij de Raad beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. De Raad stelt vast dat de Wet kinderopvang niet is opgenomen in die bijlage, zodat hij niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. Het hoger beroepschrift zal, voor zover het op die tegemoetkoming betrekking heeft, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2. De intrekking van bijstand

5.2.1. De Raad stelt voorop dat het College bij besluit 2 de bijstand met ingang van 1 september 2005 heeft ingetrokken en deze intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Omdat bij besluit 3 de bijstand ook over de periode van18 februari 2002 tot en met 31 augustus 2005 is ingetrokken heeft de rechtbank, anders dan appellante heeft aangevoerd, terecht overwogen dat zij de periode vanaf 18 februari 2002 tot en met 21 september 2005 diende te beoordelen. Aangezien appellante de aangevallen uitspraak niet heeft bestreden voor zover deze ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 1 juni 2002, bestrijkt de beoordeling door de Raad de periode van 1 juni 2002 tot en met 21 september 2005.

5.2.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) en van de WWB (voor zover hier van belang) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van deze artikelen is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw en de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

5.2.3. Aangezien vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en [d. S.] op 14 augustus 2002 een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode vanaf 14 augustus 2002 sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [d. S.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Of sprake was van een gezamenlijke huishouding over de hier te beoordelen periode tot 14 augustus 2002 moet naast het huisvestingscriterium tevens aan het zorgcriterium zijn voldaan.

5.2.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat appellante en [d. S.] van 1 juni 2002 tot en met 21 september 2005 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en van 1 juni 2002 tot 14 augustus 2002 tevens hebben blijk gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust en verwijst daarnaar.

5.2.5. Hetgeen onder 5.2.2 tot en met 5.2.4 is overwogen betekent dat appellante en [d. S.] van 1 juni 2002 tot en met 21 september 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante heeft van de gezamenlijke huishouding bij het College geen melding gemaakt. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge van deze schending is aan appellante over de periode van 1 juni 2002 tot en met 21 september 2005 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot en met 31 augustus 2005 en met ingang van 1 september 2005 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.2.6. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende.

5.2.7. Met appellante is de Raad van oordeel dat anonieme tips en ongespecificeerde waarnemingen over de periode van 16 maart 2005 en 17 mei 2005 niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat appellante en [d. S.] ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, aangezien deze gegevens niet verifieerbaar en controleerbaar zijn. Voor zover het College aan die gegevens wel bewijswaarde heeft toegekend, zal de Raad daaraan geen consequenties verbinden aangezien de overige onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor een gezamenlijke huishouding gedurende de hier van belang zijnde periode. Een en ander neemt niet weg dat in het onderhavige geval mede naar aanleiding van de anonieme tips en de betreffende waarnemingen nader onderzoek mocht worden verricht naar het recht op bijstand van appellante.

5.2.8. Anders dan appellante heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat een in 2003 uitgevoerd onderzoek niet tot de conclusie heeft geleid dat sprake was van een gezamenlijke huishouding niet mee dat op basis van nadien verricht onderzoek niet meer tot een gezamenlijke huishouding over het eerder onderzochte tijdvak kan worden geconcludeerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het in 2003 uitgevoerde onderzoek zich heeft beperkt tot enkele waarnemingen.

5.2.9. De Raad gaat verder voorbij aan het betoog van appellante dat het op 21 februari 2005 (lees: 21 januari 2005) aan haar woning afgelegde huisbezoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen aangezien de bevindingen van dat huisbezoek niet aan de intrekking van de bijstand ten grondslag zijn gelegd.

5.2.10. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding de bevindingen van de met toestemming van de Officier van Justitie verrichte observaties in de periode van 25 mei 2005 tot 22 juni 2005 buiten beschouwing te laten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het verrichten van die observaties in het onderhavige geval, waarbij het vermoeden bestond van fraude met uitkeringsgelden, kan worden beschouwd als redelijkerwijs nodig voor een juiste uitvoering van de WWB.

5.2.11. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat aan de omstandigheid dat de schending van de in overweging 5.2.5 bedoelde inlichtingenverplichting op zichzelf genomen reeds een strafbaar feit oplevert, de conclusie moet worden verbonden dat bij verdenking van een dergelijke schending ook in het bestuursrechtelijke traject artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering alsmede artikel 6, derde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van toepassing zijn. De Raad overweegt dienaangaande, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG3682, dat het feit dat schending van de inlichtingenverplichting als zodanig een strafbaar feit kan opleveren, niet betekent dat het bestuursorgaan gehouden is aan de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat er uitsluitend op is gericht het recht op bijstand nader vast te stellen of te herbeoordelen, een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin.

5.2.12. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat, als uitvloeisel van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, 36391/02 (Salduz), LJN BH0679, en 11 december 2008, 4268/04 (Panovic), LJN BH0680, de op 30 augustus 2005 door haar en [d. S.] afgelegde verklaringen niet mogen worden gebruikt als ondersteuning voor de besluitvorming van het College omdat zij op dat moment niet in de gelegenheid zijn gesteld zich te laten bijstaan door een raadsman. Daargelaten of uit de genoemde uitspraken kan worden afgeleid dat het recht bestaat dat vanaf de aanvang van het onderzoek een raadsman aanwezig dient te zijn, wijst de Raad erop dat het in een geval als onderhavige, waarin vaststelling van het recht op bijstand aan de orde is, niet gaat om een “criminal charge”, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot appellante uitstrekt. Voor zover het betoog van appellante erop neerkomt dat vanwege de beweerdelijke schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM, het mede door die schending verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak waaruit volgt dat dit slechts het geval is indien het bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Er is geen sprake van dat de verklaringen van appellante en [d. S.] op een dergelijke wijze zijn verkregen.

5.2.13. Anders dan appellante betoogt is naar het oordeel van de Raad evenmin sprake van omstandigheden op grond waarvan appellante niet aan haar verklaring van 30 augustus 2005 kan worden gehouden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat zij vanaf 2002 werd belaagd en bedreigd door haar gewezen partner haar verhinderde op 30 augustus 2005 naar waarheid over haar woon- en leefsituatie te verklaren. Evenmin is gebleken dat appellante niet aan haar verklaring kan worden gehouden omdat, zoals appellante stelt, haar minderjarige zoon zich tijdens het verhoor in een bedreigende, emotioneel zwaar belastende en traumatiserende situatie bevond. Uit het proces-verbaal van 8 december 2005 blijkt immers dat in overleg met appellante opvang is geregeld van haar zoontje in een voor hem vertrouwde omgeving gedurende de periode dat zij werd verhoord. Appellante heeft voorts tijdens haar verhoor verklaard dat zij vond dat goed is gezorgd voor de opvang van haar kinderen.

5.2.14. Anders dan appellante is de Raad voorts van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of appellante en [d. S.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd mede betekenis mag worden gehecht aan de verklaringen die de buurtbewoners hebben afgelegd. Bijna alle ondervraagde buurtbewoners hebben verklaard dat er op het adres van appellante een man en een vrouw en kinderen wonen en herkennen appellante en [d. S.] aan de hand van hun foto’s als bewoners van dat adres.

5.2.15. Met betrekking tot de stelling van appellante dat [d. S.] veel bij haar verbleef in verband met het feit dat zij werd belaagd en bedreigd door haar gewezen partner merkt de Raad op dat naar zijn vaste rechtspraak de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria en dat daarbij de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.

5.2.16. Met betrekking tot de stelling dat appellante nooit wat voor [d. S.] heeft gedaan zodat van wederzijdse zorg tussen hen niet kan worden gesproken merkt de Raad op dat voor het voldoen aan het zorgcriterium niet is vereist dat sprake is van een min of meer gelijke bijdrage in de kosten van de huishouding of van gelijkwaardigheid in de omvang van de over en weer verleende zorg. Niet is gebleken dat de zorg volstrekt eenzijdig is geweest. Zo heeft appellante verklaard dat zij wel eens kleding van [d. S.] wast, dat zij gezamenlijk activiteiten ondernemen zoals uitgaan en wandelen en samen met de kinderen gezellige dingen doen.

5.2.17. Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de intrekking is overwogen vloeit voort dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van de handhaving van de intrekking over de periode van 1 juni 2002 tot 14 augustus 2002 in stand heeft gelaten. Voorts heeft de rechtbank terecht de handhaving van de intrekking over de periode van 14 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2005 en met ingang van 1 september 2005 in stand gelaten. Hetgeen appellante overigens nog heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

5.3. Ten aanzien van de terugvordering van de kosten van bijstand stelt de Raad vast dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de handhaving van de terugvordering gedeeltelijk heeft vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van de terugvordering voor een gedeelte in stand heeft gelaten. Dit is niet juist. Een terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één daarin te vermelden bedrag en dat besluit ingevolge artikel 60, derde lid, van de WWB een executoriale titel oplevert.

5.4. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om bijstand overweegt de Raad als volgt. Volgens zijn vaste rechtspraak ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel is gebaseerd. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft dan ook terecht de rechtsgevolgen van de handhaving van de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.

5.5. Gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen kan de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de terugvordering niet in stand blijven. De Raad stelt voorts vast dat het dictum van de aangevallen uitspraak onvolledig is in die zin dat de rechtbank weliswaar besluit 5 heeft vernietigd voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van 14 augustus 2002 tot en met 31 augustus 2005 is gehandhaafd, maar heeft verzuimd het College op te dragen ten aanzien van de intrekking over die periode een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Omwille van de duidelijkheid ziet de Raad aanleiding om de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang, de opschorting van de uitbetaling van de bijstand en de beslissingen inzake proceskosten en griffierecht, in zijn geheel te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit 5 in zoverre gegrond verklaren, besluit 5 vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de handhaving van de intrekking van de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 14 augustus 2002, de terugvordering van de kosten van bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand. De Raad zal voorts bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van besluit 5 in stand blijven voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijstand en de intrekking van bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot

14 augustus 2002 zijn gehandhaafd. De Raad zal het College ten slotte opdragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog daarop overweegt de Raad dat hetgeen hiervoor onder 5.2.5 is overwogen betekent dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot en met 31 augustus 2005 van haar terug te vorderen.

5.6. Hetgeen onder 5.5 is overwogen brengt mee dat aan besluit 6 de grondslag is komen te ontvallen. Dat betekent dat het beroep tegen besluit 6 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd.

5.7. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang;

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang, de opschorting van de uitbetaling van de bijstand en de beslissingen inzake proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep tegen besluit 5 in zoverre gegrond;

Vernietigt besluit 5 voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode van 18 februari 2002 tot 14 augustus 2002, de terugvordering van de kosten van bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand zijn gehandhaafd;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van besluit van 5 in stand blijven voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijstand en de intrekking van bijstand over de periode van 1 juni 2002 tot 14 augustus 2002 zijn gehandhaafd;

Bepaalt dat het College opnieuw op het bezwaar tegen de terugvordering beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit 6 gegrond;

Vernietigt besluit 6;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Zoetermeer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Zoetermeer aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IA