Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
08/304 WWB + 08/305 WWB + 08/348 WWB + 08/349 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, afwijzing aanvraag en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat betrokkene gedurende de gehele periode van 1 augustus 2004 tot en met 9 oktober 2005 niet heeft gewoond op het door haar bij het College opgegeven adres. De Raad is niettemin van oordeel dat betrokkene aan haar oorspronkelijke verklaring gehouden dient te worden, omdat aannemelijk is dat zij in die zin heeft verklaard - zij is immers teruggekomen om deze verklaring te herroepen - en deze oorspronkelijke verklaring voldoende ondersteuning vindt in de overige gegevens, waaronder de hierna te vermelden verklaringen van getuigen. Dat de verklaring van betrokkene niet is afgelegd ten overstaan van opsporingsambtenaren, dat deze niet door betrokkene is ondertekend en dat het ook geen (handgeschreven) verklaring betreft die betrokkene zelf heeft opgesteld, doet hier naar het oordeel van de Raad niet aan af. Genoegzaam is komen vast te staan dat betrokkene in elk geval vanaf 1 augustus 2004 niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres, zodat zij ter zake onjuiste gegevens aan het College heeft verstrekt en de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of betrokkene in de hier ter beoordeling liggende periode, van 1 augustus 2004 tot en met 9 november 2005, (nog) recht had op bijstand. Voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om de kosten van de aan betrokkene over genoemde periode verleende bijstand terug te vorderen. Betrokkene heeft niet aangetoond dat op en na 1 november 2005 sprake was van een relevante wijziging in haar omstandigheden. De aanvraag van betrokkene van 1 november 2005 is dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/304 WWB

08/305 WWB

08/348 WWB

08/349 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College), en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 november 2007, 06/6313 en 07/6703 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het College.

Datum uitspraak: 23 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, eveneens hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Martin. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Mol en L.A. Teusink, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving sedert 7 december 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor een alleenstaande. Volgens haar opgave woonde zij op het adres [adres 1] te [woonplaats] en woonde haar ex-echtgenoot [Z.] (hierna: [Z.]), met haar zoon, op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2. Uit een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van betrokkene, waarvan bevindingen en conclusie zijn weergegeven in het rapport van 26 oktober 2005, is volgens het College onder meer naar voren gekomen dat betrokkene onjuiste gegevens heeft verstrekt over haar woonadres.

1.3. Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft het College de aan betrokkene verstrekte bijstand met ingang van 10 oktober 2005 ingetrokken.

1.4. Op 1 november 2005 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 29 november 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.5. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 26 oktober 2005 en 29 november 2005 ongegrond verklaard. Dit besluit is in hoofdzaak gebaseerd op het standpunt van het College dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6. Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het College op dezelfde grond de aan betrokkene verleende bijstand over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 9 oktober 2005 herzien (lees: ingetrokken) en een bedrag van € 14.471,-- aan kosten van over die periode verleende bijstand van betrokkene teruggevorderd.

1.7. Namens betrokkene is tegen het besluit van 4 juli 2006 een bezwaarschrift ingediend. Op verzoek van betrokkene heeft het College met toepassing van het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaarschrift ter behandeling als een beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - zo begrijpt de Raad - het beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 4 juli 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat weliswaar sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, maar dat de door het College in aanmerking genomen verklaringen te weinig concreet en te summier zijn om daaruit te kunnen concluderen dat betrokkene gedurende de gehele periode van 1 augustus 2004 tot en met 9 oktober 2005 niet heeft gewoond op het door haar bij het College opgegeven adres.

3.1. Het College heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 4 juli 2006 is vernietigd.

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 29 juni 2006 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5. Het hoger beroep van het College

5.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat betrokkene gedurende de gehele periode van 1 augustus 2004 tot en met 9 oktober 2005 niet heeft gewoond op het door haar bij het College opgegeven adres.

5.2. Betrokkene heeft op 24 oktober 2005 ten overstaan van twee medewerkers van de Sociale Dienst een verklaring afgelegd, welke is opgenomen in het rapport van 26 oktober 2005. Volgens de weergave van die verklaring woonde betrokkene bij haar ex-man [Z.] en hun beider zoon vanaf 30 september 2003, toen [Z.] de woning aan de [adres 2] te [woonplaats] kreeg toegewezen. Betrokkene heeft die verklaring niet ondertekend. Zij heeft die verklaring enkele uren later, in aanwezigheid van [Z.], herroepen, in die zin dat [Z.] toen heeft verklaard dat betrokkene ten tijde als hier van belang niet meer dan drie dagen per week op zijn adres zou hebben verbleven.

De Raad is niettemin van oordeel dat betrokkene aan haar oorspronkelijke verklaring gehouden dient te worden, omdat aannemelijk is dat zij in die zin heeft verklaard - zij is immers teruggekomen om deze verklaring te herroepen - en deze oorspronkelijke verklaring voldoende ondersteuning vindt in de overige gegevens, waaronder de hierna te vermelden verklaringen van getuigen. Dat de verklaring van betrokkene niet is afgelegd ten overstaan van opsporingsambtenaren, dat deze niet door betrokkene is ondertekend en dat het ook geen (handgeschreven) verklaring betreft die betrokkene zelf heeft opgesteld, doet hier naar het oordeel van de Raad niet aan af.

5.3. De weergave van de verklaring van betrokkene is in overeenstemming met hetgeen de bewoners van de [adres 3] op 1 maart 2006 hebben verklaard, namelijk dat in de woning naast hen, aan de [adres 1], sedert ongeveer 2 jaar, alleen [N.] woont, de dochter van de eigenaresse van de betreffende woning, mevrouw [d. R.] (hierna: [d. R.]). Betrokkene hebben zij al jaren niet meer in de woning gezien. Als voorzitter van de vereniging van eigenaren heeft de buurman destijds van[d. R.] begrepen dat het de bedoeling was dat betrokkene er maar tijdelijk zou komen wonen, zodat zij niet het entreegeld van fl. 250,-- behoefde te betalen, aldus de handgeschreven, door beide buren ondertekende verklaring. Dat deze buren in de zomermaanden vaak naar een camping gaan doet er naar het oordeel van de Raad niet aan af dat zij als naaste buren wisten wie er naast hen woonde, zeker gezien de omstandigheid dat de buurman toentertijd voorzitter was van de vereniging van eigenaren van het betreffende wooncomplex.

5.4. Voorts heeft de bewoonster van de woning aan de [adres 1], [N.] (hierna: [N.]), op 2 maart 2006 verklaard dat betrokkene wel even in de betreffende woning heeft gewoond, maar dat dit al zeker twee jaar niet meer het geval is, in elk geval niet meer vanaf juni 2004, toen zij er zelf is gaan wonen. Volgens deze verklaring zou [d. R.] bezig zijn betrokkene uit te laten schrijven van dat adres. Het betreft hier een handgeschreven verklaring die door [N.] is ondertekend. De Raad heeft geen aanleiding gevonden de juistheid van die verklaring in twijfel te trekken.

5.5. Ten slotte is er nog een rapportje van 30 januari 2006 waaruit blijkt dat [d. R.] bij de Afdeling Burgerzaken van de gemeente Purmerend heeft gemeld dat betrokkene al anderhalf jaar niet meer woont op het adres [adres 1]. De Raad kan in dit verband bezwaarlijk belang hechten aan de latere, ongedateerde verklaring van [d. R.], waarin zij aangeeft dat de bedoelde melding niet heeft plaatsgevonden.

5.6. Uit de onder 5.2 tot en met 5.5 genoemde gegevens is naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat betrokkene in elk geval vanaf 1 augustus 2004 niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres, zodat zij ter zake onjuiste gegevens aan het College heeft verstrekt en de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of betrokkene in de hier ter beoordeling liggende periode, van 1 augustus 2004 tot en met 9 november 2005, (nog) recht had op bijstand.

5.7. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 1 augustus 2004 tot en met 9 oktober 2005 in te trekken. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

5.8. Uit hetgeen onder 5.7 is overwogen vloeit voort dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om de kosten van de aan betrokkene over genoemde periode verleende bijstand terug te vorderen. De Raad stelt vast dat het College in overeenstemming met zijn ten tijde van het besluit van 4 juli 2007 geldende, niet onredelijk geachte beleidsregels, heeft gehandeld. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van de beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

5.9. Het hoger beroep van het College slaagt derhalve, zodat de aangevallen uitspraak voor zover door het College aangevochten niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 juli 2006 ongegrond verklaren.

6. Het hoger beroep van betrokkene

6.1. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand met ingang van 10 oktober 2005 is de Raad van oordeel dat de onder 5.2 tot en met 5.5 weergegeven verklaringen en gegevens alsmede de bevindingen van de waarnemingen bij de woning van [Z.] te [woonplaats] van 10 tot en met 12 oktober 2005 voldoende grondslag bieden voor het standpunt dat betrokkene ook in de hier te beoordelen periode, die loopt van 10 oktober 2005 tot en met 26 oktober 2005, niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres. Betrokkene heeft derhalve ter zake onjuiste gegevens aan het College verstrekt en is de inlichtingenverplichting niet nagekomen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of betrokkene (nog) recht op bijstand had.

6.2. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken met ingang van 10 oktober 2005. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

6.3. Met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 1 november 2005 overweegt de Raad het volgende.

6.4. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

6.5. Betrokkene heeft tijdens het intakegesprek in het kader van haar aanvraag op 1 november 2005 aangegeven dat zij in verband met persoonlijke omstandigheden tijdelijk door [Z.] in diens woning werd opgevangen. Bezien in samenhang met het onder 5.2 tot en met 5.6 en onder 6.1 overwogene, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet heeft aangetoond dat op en na 1 november 2005 sprake was van een relevante wijziging in haar omstandigheden als onder 6.4 bedoeld. De aanvraag van betrokkene van 1 november 2005 is dan ook terecht afgewezen.

6.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover door betrokkene aangevochten, bevestigd dient te worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover door het College aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2006 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover door betrokkene aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

IJ