Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
08/2837 WAO + 08/2838 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en mitsdien ook de overwegingen die de rechtbank heeft gewijd aan de weigering om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Geen sprake van een situatie waarin wordt voldaan aan de minimumeis dat bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de samenloop van de bij hem bestaande medische beperkingen is door appellant op geen enkele wijze onderbouwd. De Raad heeft in de gedingstukken ook geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van hetgeen door appellant is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2837 WAO en 08/2838 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 april 2008, 06/1388 en 07/1405 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft – voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang – het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 21 november 2007, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 23 oktober 2006 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, ongegrond verklaard.

2.1. Het hoger beroep van appellant richt zich slechts tegen het in overweging 1 omschreven gedeelte van de aangevallen uitspraak.

2.2. Appellant heeft in zijn hoger beroepschrift evenals in zijn beroepschrift bij de rechtbank – zonder nadere onderbouwing – gesteld dat hij vraagtekens zet zowel bij de keuring door de verzekeringsgeneeskundige als bij de functieduidingen verricht door de arbeidsdeskundige. Voorts heeft appellant zijn verzoek herhaald hem te doen onderzoeken door een onafhankelijke medisch deskundige.

2.3. Appellant heeft bij brief van 16 april 2009 nog naar voren gebracht dat naar zijn mening, in het geval ervan uit zou moeten worden gegaan dat bij hem geen lichamelijke afwijkingen bestaan, onvoldoende is bezien of er niettemin beperkingen moeten worden aangenomen. Voorts heeft appellant in deze brief gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de samenloop van de bij hem bestaande beperkingen.

3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en mitsdien ook de overwegingen die de rechtbank heeft gewijd aan de weigering om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

3.2. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bij zijn brief van 16 april 2009 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. In bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat ook in het geval niet geheel duidelijk is aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven beperkingen moeten worden aangenomen. Er moet dan wel zijn voldaan aan de minimumeis dat bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Van zo’n situatie is in het geval van appellant geen sprake.

3.3. Hetgeen appellant heeft gesteld omtrent de samenloop van de bij hem bestaande medische beperkingen is door appellant op geen enkele wijze onderbouwd. De Raad heeft in de gedingstukken ook geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van hetgeen door appellant is gesteld.

3.4. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

3.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR