Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9468

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
08-1021 WIA + 09-1876 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De Raad is van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de inlichtingen van de behandelende sector, niet gebleken is dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad van oordeel dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank en thans een gemotiveerde berekening heeft gegeven van het reële verlies aan verdiencapaciteit. Dit leidt niet tot een andere uitkomst. Aangezien appellant in dit verband geen grieven naar voren heeft gebracht, dient het nadere besluit van 24 januari 2008 in stand te worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1021 WIA + 09/1876 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 8 januari 2008 , 07/339 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Th.T.M. van Hemert, advocaat te Leiden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 31 juli 2006 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2006 is dat bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 december 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nader besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv ten onrechte bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellant de urenomvang van zijn maatman heeft gemaximeerd op 38 uur per week en derhalve geen aansluiting heeft gezocht bij het reële verlies aan verdienvermogen zoals door deze Raad is overwogen in zijn uitspraak van 2 maart 2007, LJN AZ9652. Voorts was de rechtbank van oordeel dat in de door het Uwv opgestelde en na bezwaar aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 november 2006 voldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belastbaarheid (lees: belasting) van de geduide functies binnen de FML past. De rechtbank achtte appellant dan ook in staat om met ingang van 31 juli 2006 de hem door de bezwaararbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten.

3. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Met een besluit van 24 januari 2008 heeft het Uwv uitvoering aan die uitspraak gegeven. Aangezien het besluit van 24 januari 2008 niet geheel aan het beroep van appellant tegemoetkomt, wordt het beroep overeenkomstig de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

4. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Appellant heeft daarbij gewezen op zijn zeer ernstige rugklachten, zijn suikerziekte en veel te hoge bloeddruk en cholesterolgehalte. Volgens appellant maken de lichamelijke aandoeningen hem ook in psychische zin extra kwetsbaar waardoor zijn mogelijkheden om passende arbeid te verrichten nog meer worden beperkt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische en overige informatie ingebracht. Voorts heeft appellant gewezen op het feit dat hij door het Uwv per 1 januari 2007 - dus slechts vijf maanden na de datum hier in geding - volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, terwijl zijn klachten over die periode nagenoeg onveranderd zijn gebleven. Volgens appellant moet daaruit volgen dat hij op de datum hier in geding ook volledig arbeidsongeschikt was.

5. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de verzekeringsarts inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend internist en informatie heeft gekregen van de Kliniek Lange Voorhout waar appellant voor zijn rugklachten onder behandeling is. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie over de rugklachten van appellant ingewonnen bij de neurochirurg en andermaal bij de behandelend internist. Het Uwv is dan ook van oordeel dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De belastbaarheid van appellant is vastgelegd in de, in de bezwaarfase aangepaste, FML van 23 november 2006. In het onderdeel persoonlijk functioneren is een beperking aangenomen voor werkzaamheden op hoogtes en gevaarlijke plaatsen in verband met duizeligheidsklachten die kunnen passen bij een nog niet adequaat ingestelde suikerziekte. Verder zijn beperkingen aangenomen met betrekking tot de fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische handelingen. Bij de dynamische handelingen zijn beperkingen aangenomen op de onderdelen buigen, frequent buigen tijdens het werk, duwen of trekken, tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk en lopen tijdens het werk. Bij de statische houdingen zijn beperkingen aangenomen op zitten tijdens het werk, staan tijdens het werk, geknield of gehurkt actief zijn, gebogen en/of getordeerd actief zijn, boven schouderhoogte actief zijn en afwisseling van houding. De Raad is van oordeel dat op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de hierboven genoemde inlichtingen van de behandelende sector, niet gebleken is dat de beperkingen van appellant zijn onderschat.

6.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de brief van de huisarts van appellant van 1 oktober 2007 geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. In bedoeld schrijven heeft de huisarts noch op medische noch op andere gronden gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat de belastbaarheid van de rug van appellant door de verzekeringsartsen wordt overschat. Ook kan de stelling van appellant dat hij vanwege zijn psychische klachten - die zouden zijn ontstaan als gevolg van zijn lichamelijke klachten - ernstiger is beperkt dan dat het Uwv heeft aangenomen naar het oordeel van de Raad geen doel treffen, aangezien appellant deze stelling op generlei wijze met medische gegevens heeft onderbouwd. Met betrekking tot de overige informatie die appellant heeft ingebracht, stelt de Raad vast dat die informatie niet ziet op de datum hier in geding, te weten 31 juli 2006, en derhalve geen ondersteuning kan bieden aan het door appellant ingenomen standpunt.

6.3. Ten aanzien van het standpunt van appellant met betrekking tot zijn volledige arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2007 overweegt de Raad dat uit de medische rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 10 december 2008 naar voren komt dat appellant vanwege een op handen zijnde rugoperatie met ingang van 1 januari 2007 volledig arbeidsongeschikt is geacht. Voor de datum hier in geding kan naar het oordeel van de Raad aan die volledige arbeidsongeschiktheid dus geen betekenis worden toegekend.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven van appellant geen doel treffen en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

8. Wat betreft het nadere besluit van 24 januari 2008 is de Raad van oordeel dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank en thans een gemotiveerde berekening heeft gegeven van het reële verlies aan verdiencapaciteit. Dit leidt niet tot een andere uitkomst. Aangezien appellant in dit verband geen grieven naar voren heeft gebracht, dient het nadere besluit van 24 januari 2008 in stand te worden gelaten.

9. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 januari 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

KR