Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
08/2222 WWB + 08/2223 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat de grief dat het verzwegen banktegoed niet tot het vermogen van appellant kon worden gerekend, reeds bij de uitspraak van 4 mei 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen en dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank heeft derhalve terecht (...) geoordeeld dat deze beroepsgrond niet nogmaals ter beoordeling aan de rechter kan worden voorgelegd. De eerste grief van appellant treft derhalve geen doel. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het op 25 juli 2005 ingediende bezwaarschrift uitsluitend betrekking heeft op het besluit van 13 juni 2005 tot terugvordering van het voorschot. Tegen het besluit van eveneens 13 juni 2005, waarbij de nieuwe aanvraag van appellant buiten behandeling is gesteld, is geen bezwaar gemaakt, waarmee dit besluit in rechte is komen vast te staan. Hieruit vloeit voort dat er geen recht op bijstand bestaat waardoor de grondslag aan het voorschot is komen te ontvallen. Gelet hierop faalt ook de tweede grief van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2222 WWB

08/2223 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2008, 06/8055 en 07/1382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: het College)

Datum uitspraak: 2 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mos, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sedert 19 maart 1997 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm van een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 49.969,20 van appellant teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij een op zijn naam staande bankrekening heeft verzwegen waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2004 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 4 mei 2006, nr. 05/4095, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 mei 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het College opgedragen opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2004 te beslissen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de litigieuze op zijn naam staande bankrekening en het op die rekening staande tegoed. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank niet op genoegzame wijze aangetoond dat het tegoed op de bedoelde bankrekening geen bestanddeel vormde van het vermogen waarover hij beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Omdat uit de voorhanden gegevens evenwel niet zonder meer kon worden afgeleid dat appellant in de hele periode waarover de bijstand werd ingetrokken over een vermogen beschikte dat de toepasselijke vermogensgrens overschreed, oordeelde de rechtbank dat het besluit van 2 mei 2005 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op een ondeugdelijke motivering berust. Tegen de uitspraak van 4 mei 2006 is geen hoger beroep ingesteld.

1.4. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het College bij besluit van 21 augustus 2006 het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2004 opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in de periode van - voor zover hier van belang - 1 juli 1997 tot en met 6 juli 2001 sprake was van diverse stortingen en opnames op de bankrekening ter zake waarvan geen controleerbare en verifieerbare gegevens zijn overgelegd, zodat over die periode het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat in de periode van 7 juli 2001 tot en met 31 mei 2004 sprake was van een overschrijding van de vermogensgrens, zodat over die periode geen recht op bijstand bestaat.

1.5. Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het College een nieuwe aanvraag van 13 april 2005 om bijstand van appellant buiten behandeling gesteld. Vervolgens heeft het College bij besluit van eveneens 13 juni 2005 een in verband met voormelde aanvraag aan appellant verleend voorschot teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het in 1.5 vermelde besluit tot terugvordering van het voorschot ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 21 augustus 2006 en 9 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het verzwegen banktegoed niet tot zijn vermogen kon worden gerekend. Als tweede grond heeft appellant aangevoerd dat zijn hernieuwde aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld, waardoor ook de terugvordering van het in verband met die aanvraag verleende voorschot geen stand kan houden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de grief dat het verzwegen banktegoed niet tot het vermogen van appellant kon worden gerekend, reeds bij de in 1.3 vermelde uitspraak van 4 mei 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen en dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank heeft derhalve terecht met verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad geoordeeld dat deze beroepsgrond niet nogmaals ter beoordeling aan de rechter kan worden voorgelegd. De eerste grief van appellant treft derhalve geen doel.

4.2. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het op 25 juli 2005 ingediende bezwaarschrift uitsluitend betrekking heeft op het besluit van 13 juni 2005 tot terugvordering van het voorschot. Tegen het in 1.5 vermelde besluit van eveneens 13 juni 2005, waarbij de nieuwe aanvraag van appellant buiten behandeling is gesteld, is geen bezwaar gemaakt, waarmee dit besluit in rechte is komen vast te staan. Hieruit vloeit voort dat er geen recht op bijstand bestaat waardoor de grondslag aan het voorschot is komen te ontvallen. Gelet hierop faalt ook de tweede grief van appellant.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

IJ