Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07/5150 WWB + 07/5151 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. Handel in vuurwerk. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5150 WWB

07/5151 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te Oosterwolde,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 augustus 2007, 06/2567 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft G. Tot, werkzaam bij de Bond Arbeidsongeschikten en Gehandicapten te Oosterwolde, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellanten schriftelijk is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Appellanten zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs, werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf.

II. OVERWEGINGEN

1.De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben beiden bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, met ingang van 1 januari 2004 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hun woonadres is [adres] te Oosterwolde. Appellante is huurder van die woning, terwijl appellant volgens opgave van appellanten sedert 17 april 1989 onderhuurder is.

1.2. Op 17 november 2005 heeft de politie in de woning van appellanten en tevens in de woningen van de beide buren van appellanten een grote partij vuurwerk in beslag genomen met een aanzienlijke waarde. Appellant is als hoofdverdachte aangehouden, nadat gebleken was dat hij de eigenaar van de hele partij vuurwerk was. Naar aanleiding hiervan is ook een onderzoek ingesteld door de sociale recherche. In het kader van dat onderzoek is volgens het College naar voren gekomen dat appellant een aantal jaren in vuurwerk heeft gehandeld, dat hij daarmee aanzienlijke inkomsten moet hebben ontvangen en dat appellanten, anders dan volgens hun opgaven, met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

1.3. Bij besluit van 23 juni 2006 heeft het College de aan appellanten afzonderlijk verleende bijstand over de periode van 1 mei 2003 tot 1 december 2005 ingetrokken en over de periode van 1 december 2005 tot 1 juni 2006 herzien van de norm voor een alleenstaande naar de norm voor gehuwden. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat zij daarvan alsmede van de handel in vuurwerk geen mededeling hebben gedaan. Voorts is van appellanten een bedrag van € 45.431,87 teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2006 in zoverre gegrond verklaard, dat van een gezamenlijke huishouding van appellanten volgens het College eerst met ingang van 1 mei 2004 sprake was, dat dientengevolge een bedrag van € 38.222,63 wordt teruggevorderd, dat appellant aansprakelijk is voor een bedrag van € 5.089,23 en dat appellanten beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het resterende bedrag van € 33.133,40. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de periode van 1 november 2003 tot 1 mei 2004 is ook naar het oordeel van de Raad genoegzaam komen vast te staan dat appellant in vuurwerk heeft gehandeld en dat hij uit die handel aanzienlijke inkomsten heeft ontvangen. Met name uit de bevindingen van en het verhoor van appellant door de politie, bezien in samenhang met de verklaring van appellant ten overstaan van de sociale recherche op 16 mei 2006, blijkt dat appellant in ieder geval al sedert 1 november 2003 vuurwerk in België heeft gekocht, dat hij dit vervolgens in Nederland met winst verkocht en dat het daarbij om duizenden kilo’s vuurwerk ging. Zo is de waarde van het op 17 november 2005 in beslag genomen vuurwerk geschat op een bedrag van € 30.000,--.

4.2. Nu appellant van zijn handel in vuurwerk geen mededeling heeft gedaan is hij de inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen. Mede gelet op de omstandigheid dat appellant van de omvang van zijn handel en de verdiensten daaruit geen adminstratie heeft bijgehouden, kunnen die verdiensten ook niet bij benadering worden bepaald. Derhalve kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 november 2003 tot 1 mei 2004 niet (meer) worden vastgesteld.

4.3. Met betrekking tot de periode van 1 mei 2004 tot 1 juni 2006 is niet in geschil dat appellanten op hetzelfde adres woonachtig waren. Dit betekent dat aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt voldaan. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat ook aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, wordt voldaan. Uit de door appellanten afgelegde verklaringen blijkt onder meer dat appellant gebruik kon maken van de gehele door appellante gehuurde woning, dat er samen werd gegeten, boodschappen voor elkaar werden gedaan, dat appellante de was van de appellant wel deed, en dat de kosten van het huishouden door beiden werden betaald. Verder is gebleken dat appellant een levensverzekering heeft afgesloten volgens welke appellante en haar kinderen de begunstigde personen zijn. Een en ander duidt voorts op een zodanige onderlinge verbondenheid en een zodanige mate van verantwoordelijkheid voor elkaar, dat daarmee de grenzen van hetgeen in een zakelijke relatie van onderhuur of kostgangerschap gebruikelijk is worden overschreden. Het College heeft derhalve op goede gronden aangenomen dat appellanten gedurende de periode van 1 mei 2004 tot 1 juni 2006 een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB hebben gevoerd, zodat zij over die periode niet als zelfstandige subjecten van bijstand kunnen worden aangemerkt en dus geen recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.4. Voorts heeft binnen de hier ter beoordeling liggende periode de vuurwerkhandel van appellant tot de inbeslagname daarvan op 17 november 2005 voortgeduurd. De Raad verwijst naar hetgeen onder 4.1 en 4.2 reeds is overwogen en hecht tevens belang aan de verklaring die appellante op 18 november 2005 ten overstaan van de politie met betrekking tot de vuurwerkhandel heeft afgelegd. Nu is vastgesteld dat vanaf 1 mei 2004 sprake was van een gezamenlijke huishouding volgt hieruit dat toen ook op appellante de verplichting rustte om van de handel in vuurwerk mededeling te doen.

4.5. Gelet op het onder 4.3 tot en met 4.4 overwogene is de Raad van oordeel dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van de handel in vuurwerk en de gezamenlijke huishouding. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het eventuele recht van appellanten op bijstand naar de norm voor gehuwden over de periode van 1 mei 2004 tot 1 december 2005 niet kan worden vastgesteld omdat niet kan worden bepaald welke inkomsten uit de handel in vuurwerk zijn ontvangen. De schending van de inlichtingenverplichting heeft derhalve met zich gebracht dat aan appellanten over de periode van 1 mei 2004 tot 1 december 2005 geheel ten onrechte bijstand is verleend en dat over de resterende periode bijstand is verleend naar een onjuiste norm.

4.6. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant en appellante verleende bijstand in te trekken met ingang van 1 november 2003, respectievelijk 1 mei 2004, en de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 1 december 2005 te herzien. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking, respectievelijk herziening.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregel heeft gehandeld. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van de beleidsregel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.8. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.C.F. Talman en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

NK