Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
08-1285 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. De Raad stelt vast dat appellant geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dan dat hij in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken van uitkeringsfraude en dat appellant en betrokkene ieder een eigen woonadres hebben. Onvoldoende aangetoond dat niet langer sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1285 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2008, 07/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 10 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Gregoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt vanaf juni 1994 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant met ingang van januari 2002 herzien naar de norm voor een gehuwde, op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), ingeschreven op een woonadres in Duitsland. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd het resultaat van een op 14 oktober 2004 verricht onderzoek, in welk kader appellant en [betrokkene] zijn gehoord en een zogenoemde checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw is opgemaakt.

1.3. Bij besluit van 4 maart 2005 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2004 ongegrond verklaard. Daaraan is mede ten grondslag gelegd een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank van 15 november 2004, waarvan deel uitmaken processen-verbaal van het verhoor van appellant en [betrokkene] als verdachten van strafbare feiten.

1.4. Bij uitspraak van 13 december 2005 (05/720) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 4 maart 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2006 (05/7239) heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft de Svb, naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van appellant, vastgesteld dat appellant op dat moment niets aan de Svb kan terugbetalen.

1.6. Bij brief van 3 april 2007 heeft appellant de Svb verzocht de terugvordering van bijna € 10.000,-- definitief buiten invordering te stellen. Bij brief van dezelfde datum heeft appellant de Svb verzocht aan hem opnieuw een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande toe te kennen. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij door de rechtbank is vrijgesproken van uitkeringsfraude en aangegeven dat hij, evenals [betrokkene], een eigen woning heeft en er geen gezamenlijke (spaar/betaal) rekeningen zijn.

1.7. Bij besluit van 13 april 2007 heeft de Svb beide verzoeken afgewezen. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat de vrijspraak in de strafprocedure geen aanleiding is om definitief af te zien van terug- en invordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Niet alleen ligt in de strafprocedure een geheel andere rechtsvraag voor, maar tevens is de Raad in zijn uitspraak van 19 december 2006 tot de conclusie gekomen dat de herziening van het AOW-pensioen van appellant rechtmatig is. Voorts heeft de Svb appellant er op gewezen dat indien hij van oordeel is dat hij inmiddels geen gezamenlijke huishouding meer voert met [betrokkene], het op zijn weg ligt om aan te geven welke feiten en omstandigheden deze conclusie thans rechtvaardigen.

1.8. Bij besluit van 19 juli 2007 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd uitsluitend voor wat betreft het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft aangetoond dat zijn woon- en leefsituatie zodanig is veranderd dat niet langer sprake is van gezamenlijke huishouding met [betrokkene].

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In het onderhavige geval is het AOW-pensioen van appellant herzien naar de norm voor een gehuwde op basis van het feit dat een gezamenlijke huishouding met [betrokkene] is aangenomen. Indien vervolgens een aanvraag wordt ingediend gericht op het met ingang van een latere datum verkrijgen van een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande, ligt het - naar vaste jurisprudentie van de Raad - primair op de weg van de aanvrager aannemelijk te maken dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat nu wel is voldaan aan de vereisten om voor een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande in aanmerking te komen.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dan dat hij in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken van uitkeringsfraude en dat appellant en [betrokkene] ieder een eigen woonadres hebben. Deze feiten en omstandigheden zijn in het licht van de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan de vaststelling van de gezamenlijke huishouding van appellant en [betrokkene] - zoals deze ook door de Raad zijn vastgesteld in zijn uitspraak van 19 december 2006 - onvoldoende om aan te tonen dat niet langer sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad voorts onvoldoende voor de conclusie dat de Svb gehouden zou zijn ter zake nader onderzoek te doen. Ter zijde merkt de Raad ten aanzien van de vrijspraak door de strafrechter nog op dat het strafrechtelijk bewijsrecht verschilt van het bestuursrecht en dat gelet op de delictsomschrijving van de bij uitkeringsfraude tenlastegelegde strafbare feiten sprake is van een ander toetsingskader dan bij de herziening op grond van artikel 17a van de AOW.

4.4 Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H.J. de Mooij en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) B.E. Giesen.

IJ