Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07-4973 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Uit de door de huisarts verstrekte gegevens niet kan worden afgeleid dat sprake was van een aan het verrichten van arbeid in de weg staande chronische depressiviteit. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag, zij het dat toereikende arbeidskundige onderbouwing eerst in hoger beroep is gegeven. Vernietiging met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4973 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juli 2007, 06/2055

(hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 12 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Spek, kantoorgenote van mr. Samama. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 15 december 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk sinds 1998 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Nadat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 29 november 2004, waarbij het bezwaar ongegrond was verklaard, wegens schending van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vernietigd, heeft het Uwv bij nadere beslissing op bezwaar van 2 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) appellants bezwaar wederom ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft aangevoerd dat het bestreden besluit een valide verzekeringsgeneeskundige onderbouwing mist. Verder is er geklaagd over in de Functionele MogelijkhedenLijst (FML) opgenomen verborgen beperkingen, hetgeen strijd zou opleveren met uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) en 23 februari 2007 (LJN AZ9157).

3.2. Bij verweerschrift heeft het Uwv rapportages van de bezwaarverzekeringsarts

M. Keus en de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen ingestuurd, die de FML en de geduide functies nogmaals tegen het licht hebben gehouden. Hogeveen heeft alle geselecteerde functies voorzien van een uitgebreide toelichting, waarbij hij nog één (reserve)functie heeft laten vervallen.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Met betrekking tot de medische kant van de beoordeling stelt de Raad vast dat de, na de door de psychiater E.F. van Ittersum uitgebrachte expertise van 22 november 2004, door de bezwaarverzekeringsarts met zijn rapport van 25 november 2004 aangebrachte wijzigingen in de FML, bestaande in het schrappen van een aantal beperkingen in de rubrieken 1. en 2., geen arbeidskundig gevolg hebben gehad in de zin dat er door het Uwv nieuwe functies zijn geselecteerd. Aldus kan de Raad de vraag of de psychiater Van Ittersum kan worden gevolgd en of de FML terecht is aangepast in het midden laten.

4.3. Er zijn overigens voldoende medische gegevens beschikbaar met betrekking tot de fysieke en psychische gezondheidstoestand van appellant op 12 februari 2004. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft alle door appellant ingebrachte informatie besproken in zijn rapportage van 30 januari 2007. De Raad volgt hem in zijn opvatting dat uit de door de huisarts Y. Baskaya verstrekte gegevens niet kan worden afgeleid dat sprake was van een aan het verrichten van arbeid in de weg staande chronische depressiviteit. De huisarts heeft tot 2005 geen reden gezien voor verwijzing van appellant en volstaan met beperkte medicatie. De behandelaren van PsyQ hebben bij de intake in juni 2006 als diagnose gesteld een dysthyme stoornis naast een gegeneraliseerde angststoornis. Zij maken melding van een verergering van klachten door sociale problematiek die na de datum in geding is ontstaan. Uit hun informatie kan evenmin worden afgeleid dat appellant in verband met stemmingsproblematiek meer beperkt was dan is aangenomen ten tijde van de functieselectie.

4.4. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat appellant op 12 februari 2004 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten in staat moet worden geacht de aan hem door de arbeidsdeskundige C. Schut voorgehouden en door bezwaararbeidsdeskundige Hogeveen nader gemotiveerde functies te vervullen.

4.5. Gelet op het feit dat eerst in hoger beroep een volledige motivering is gegeven van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid A.E. van Rooij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

GdJ