Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07-6120 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager daarover juiste en volledige informatie verschaft. Appellant heeft de twijfel die is opgekomen omtrent de woon- en leefsituatie niet heeft weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6120 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2007, 06/4338 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Bevelander, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bevelander. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 22 maart 2006 gemeld om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven een alleenstaande te zijn en zelfstandig te wonen. In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand is onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. Die situatie is besproken tijdens een intakegesprek en vervolgens hebben twee medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI) van de gemeente Amsterdam op 21 april 2006 een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven woonadres.

1.2. De bevindingen tijdens dat huisbezoek zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 3 mei 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2006, de aanvraag om bijstand af te wijzen. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellant voldoende gegevens en inlichtingen moet verstrekken om het recht op bijstand vast te stellen, en dat hij dat niet heeft gedaan, zodat het recht niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van deze wet. Ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de WWB is het college bevoegd een onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening van bijstand.

4.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager daarover juiste en volledige informatie verschaft.

4.3. Appellant heeft geen toestemming willen geven aan de twee ambtenaren van DWI om de inhoud van een in zijn woning aangetroffen plastic tas te bekijken, omdat daarin privéspullen van zijn vriendin zaten. Appellant heeft naderhand verklaard dat de tas van een vriend was en dat hij de inhoud van de tas niet wilde laten bekijken, omdat daarin erotische films zaten, waarvoor hij zich eigenlijk schaamde. De Raad ziet geen aanleiding appellant niet te houden aan de door hem tijdens het huisbezoek afgelegde, en door hem ondertekende verklaring, dat deze tas van zijn vriendin was.

4.4. Tijdens het intakegesprek heeft appellant meegedeeld dat op zijn woonadres alleen kleding en persoonlijke verzorgingsspullen van hemzelf aanwezig waren. Bij het huisbezoek werden evenwel kleren en toiletartikelen aangetroffen, die volgens mededeling van appellant van zijn vriendin waren. Voorts werd een aan de vriendin van appellant geadresseerde brief, afkomstig van de Belastingdienst aangetroffen, en verder wasgoed van een vrouw. De vriendin van appellant stond tot 20 maart 2006 ingeschreven op het woonadres van appellant. Appellant heeft tijdens het huisbezoek echter verklaard dat deze vriendin al een jaar of drie niet meer lijfelijk aanwezig was in de woning. Gelet op deze onderling niet met elkaar overeenstemmende bevindingen kon redelijkerwijs van appellant worden verlangd om duidelijkheid te geven omtrent de inhoud van de plastic tas, met het oog op de vraag of appellant wel of niet alleen woont en of hij een gezamenlijke huishouding voert in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB.

4.5. Nu appellant de twijfel die is opgekomen omtrent de woon- en leefsituatie, zoals hij deze bij zijn aanvraag heeft gepresenteerd, niet heeft weggenomen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woon- en leefsituatie, waardoor zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijstand daarom terecht afgewezen.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.C.F. Talman en

C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) C. de Blaeij.

NK