Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI9031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07-2497 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting van de aan werknemer toegekende WAO-uitkering. Ambtshalve vaststelling dat onbevoegde rechtbank heeft beslist. Raad ziet aanleiding om de onbevoegdheid van de rechtbank voor gedekt te verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken. De rechtbank heeft de werknemer ten onrechte als derde belanghebbende aangemerkt en de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Werknemer kan ook niet als partij deelnemen. Het Uwv heeft veel te lang gewacht met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de werknemer, wat als uitermate onzorgvuldig dient te worden bestempeld. De beschikbare medische gegevens bieden echter geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellante (werkgeefster) dat op de datum hier van belang sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:7
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Beroepswet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/238
JB 2009/186
ABkort 2009/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2497 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2007, 05/251 en 05/1228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.F. van de Voort, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft [naam werknemer], voormalig werknemer bij appellante (hierna: de werknemer), schriftelijk doen weten als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen en daarbij de Raad toestemming gegeven zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

De werknemer heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te geven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2009. Voor appellante zijn verschenen mr. Van de Voort, voornoemd, en [naam manager P&O], als manager P&O werkzaam bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De werknemer is bij appellante werkzaam geweest als magazijnmedewerker/heftruckchauffeur. Op 23 oktober 2000 is hij uitgevallen wegens een hartinfarct.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 8 maart 2002 heeft het Uwv aan de werknemer na afloop van de wettelijke wachttijd met ingang van 22 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 10 juni 2004 is de WAO-uitkering van de werknemer ongewijzigd voortgezet.

1.4. Zowel de werknemer als appellante heeft tegen het besluit van 10 juni 2004 bezwaar gemaakt.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 16 maart 2005 (hierna: bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van zowel de werknemer als appellante ongegrond verklaard.

2.1 Alleen appellante heeft beroep ingesteld.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht.

3.1. Het hoger beroep van appellante is beperkt tot de instandlating van de rechtsgevolgen van het ten aanzien van haar genomen bestreden besluit. Betoogd is dat het Uwv ten onrechte gedurende 22 maanden geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek bij de werknemer heeft gedaan en dat diens psychische gesteldheid nimmer werd onderzocht.

3.2. De Raad stelt in de eerste plaats - ambtshalve - vast dat ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Awb niet de rechtbank ’s-Hertogenbosch, maar de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd was om in dit geding te beslissen, nu appellante statutair gevestigd is in [vestigingsplaats]. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de rechtbank ’s-Hertogenbosch daartoe bevoegd kan worden geacht, moet worden geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak is genomen door een andere rechtbank dan de bevoegde en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat de Raad het - geheel in lijn met de ter zitting door partijen daarover geuite wens - in het onderhavige geval aangewezen acht ook overigens een oordeel te geven over de aangevallen uitspraak en het in geding zijnde besluit op bezwaar, ziet hij aanleiding om met toepassing van artikel 28 van de Beroepswet de onbevoegdheid van de rechtbank ’s-Hertogenbosch voor gedekt te verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

3.3. In de tweede plaats stelt de Raad - eveneens ambtshalve - vast dat de werknemer, die zelf geen beroep heeft ingesteld, gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid als derde belanghebbende aan het geding deel te nemen.

3.3.1. De Raad overweegt daaromtrent als volgt.

3.3.2. Op grond van artikel 6:13 van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van beroep door appellante bij de rechtbank, kan geen beroep op de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij, voor zover hier van belang, geen bezwaar heeft gemaakt. In artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is bepaald, dat de rechtbank tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid kan stellen aan het geding deel te nemen.

3.3.3. In het onderhavige geval kan de werknemer geacht worden een parallel belang te hebben aan dat van appellante. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden in verband waarmee de werknemer redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld tegen het hem betreffende bestreden besluit. Derhalve heeft de rechtbank de werknemer ten onrechte als derde belanghebbende aangemerkt en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd.

3.3.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat, anders dan het in rubriek I van de uitspraak van de Raad is vermeld, de werknemer in verband met artikel 6:13 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet ook niet als partij aan het geding in hoger beroep kan deelnemen.

3.4. De Raad onderschrijft volledig het inhoudelijke oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, de overwegingen waarop dat oordeel steunt, de vernietiging daarvan wegens het daaraan klevende motiveringsgebrek en de instandlating van de rechtsgevolgen. Daarin ligt besloten dat ook de Raad van oordeel is dat in het onderhavige geval het Uwv veel te lang heeft gewacht met het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van de werknemer, wat als uitermate onzorgvuldig dient te worden bestempeld. De gedingstukken, waaronder met name de beschikbare medische informatie uit de behandelend sector, bieden echter geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellante dat op de datum hier van belang sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

3.5. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand heeft gelaten en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de werknemer in beroep is toegelaten als derde belanghebbende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR