Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
07/6823 AW + 09/273 AW + 09/981 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is (...) van oordeel dat niet kan worden gesproken van omstandigheden die het standpunt kunnen rechtvaardigen dat het opgelegde strafontslag niet evenredig is aan aard en ernst van het plichtsverzuim; in zoverre kan de Raad zich dus niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Betrokkene heeft ook na zijn ziekmelding in september 2006 gedrag laten zien dat getuigt van eigenzinnigheid en de neiging zijn eigen gang te gaan. Hij trok zich weinig aan van de regels waaraan hij zich bij ziekte had te houden en was niet van zins zijn werk te hervatten nadat de bedrijfsarts hem daartoe weer geschikt had geacht. Ook het stopzetten van zijn bezoldiging en het door het bestuur in het vooruitzicht stellen van vergaande disciplinaire maatregelen brachten hem niet tot verandering van houding en gedrag. Vernietiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6823 AW, 09/273 AW en 09/981 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het ICT Samenwerkingsverband Zuidwest Fryslân (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 november 2007, 07/834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 11 maart 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Mertens, werkzaam bij Kragten & Partner Juridisch Adviesbureau, en A.W. Siebenga en S. Molenmaker, beiden werkzaam bij het ICT Samenwerkingsverband Zuidwest Fryslân (ISZF). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. N.E.A. Runtuwene, werkzaam bij ABVAKABO/FNV.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren in 1961, was werkzaam als beheerder ICT bij het ISZF.

1.2. Bij besluit van 18 september 2006 heeft appellant betrokkene met toepassing van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd wegens grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van een minderjarige vrouwelijke collega. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.3. Op 26 september 2006 heeft betrokkene zich ziek gemeld. Op 14 november 2006 heeft de bedrijfsarts met betrokkene afgesproken dat deze na een gesprek met zijn directeur en de bedrijfsmaatschappelijk werker op 20 november 2006 zijn werk zal hervatten. Tijdens dat naar 21 november 2006 verplaatste gesprek is afgesproken dat betrokkene zich na dit gesprek zou vervoegen bij de bedrijfsarts voor een (hernieuwde) beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden. Betrokkene heeft de wachtkamer van deze arts evenwel zonder bericht voortijdig verlaten, naar hij stelt omdat hij onder spanningen gebukt ging. Tijdens een spreekuurcontact op 23 november 2006 heeft de bedrijfarts betrokkene met ingang van (vrijdag) 24 november 2006 volledig hersteld verklaard. Betrokkene is die dag echter niet op zijn werk verschenen. Appellant heeft diezelfde dag betrokkene schriftelijk in kennis gesteld van de stopzetting van zijn bezoldiging; daaraan is toegevoegd dat betrokkene zich op (maandag) 27 november 2006 om 8.00 uur moest melden bij de directeur om de ontstane situatie te bespreken, bij gebreke waarvan betrokkene rekening diende te houden met verstrekkende disciplinaire maatregelen. Betrokkene heeft zich op 27 november 2006 om 8.05 uur ziek gemeld. Bij brief van diezelfde datum met het opschrift “persoonlijk overhandigd” heeft appellant betrokkene bericht dat hij die dag om 11.00 uur op het spreekuur van de bedrijfsarts werd verwacht. Betrokkene is pas in de ochtend van 28 november 2006 op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. De bedrijfsarts kwam weer tot de conclusie dat betrokkene arbeidsgeschikt was. Hij heeft betrokkene voorts gewezen op de mogelijkheid een deskundigenoordeel (second opinion) te vragen. Betrokkene heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hij heeft zich ook niet weer bij zijn werkgever gemeld.

1.4. Bij brief van 28 november 2006 heeft appellant aan betrokkene zijn voornemen kenbaar gemaakt hem op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO als disciplinaire maatregel ontslag te verlenen. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat na de berisping van 18 september 2006 geen verbetering in houding en gedrag van betrokkene kon worden geconstateerd. Betrokkene heeft de bij ziekte geldende regels meermalen overtreden en geweigerd om zijn werkzaamheden te hervatten nadat de bedrijfsarts hem arbeidsgeschikt had bevonden. Aldus heeft hij ernstig plichtsverzuim gepleegd. Betrokkene is hierbij de gelegenheid geboden zich over zijn gedrag te verantwoorden. Nadat betrokkene deze verantwoording had gegeven heeft appellant hem bij besluit van 22 december 2006 ingaande 1 januari 2007 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 23 februari 2007 heeft appellant dit ontslagbesluit na door betrokkene gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 23 februari 2007 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank was van oordeel dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en dat niet is gebleken dat het hem verweten gedrag hem niet kan worden toegerekend. Niettemin heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde straf van ontslag onevenredig is aan het plichtsverzuim en appellant met een minder zware straf had moeten volstaan. Daartoe is overwogen dat betrokkene geen verkeerde intenties had, hij in de loop der gebeurtenissen het spoor bijster is geraakt en in onhandige pogingen problemen te vermijden onjuiste en voor zichzelf nadelige keuzes heeft gemaakt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. Ook de Raad heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat betrokkene zijn gewraakte gedragingen niet zijn aan te rekenen. Betrokkene heeft immers geen medische verklaringen overgelegd waaruit dit zou kunnen worden afgeleid, zoals in de aangevallen uitspraak met juistheid is uiteengezet. De Raad is verder van oordeel dat niet kan worden gesproken van omstandigheden die het standpunt kunnen rechtvaardigen dat het opgelegde strafontslag niet evenredig is aan aard en ernst van het plichtsverzuim; in zoverre kan de Raad zich dus niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.2. Bij het besluit van 18 september 2006 waarbij betrokkene schriftelijk is berispt, heeft appellant hem erop gewezen dat als hij zich weer zou schuldig maken aan plichtsverzuim hij rekening dient te houden met ernstige maatregelen. Dit is een duidelijke waarschuwing aan het adres van betrokkene om zich voortaan te gedragen overeenkomstig de normen zoals deze volgens appellant voor een goed ambtenaar dienen te gelden. Appellant is kennelijk tot deze waarschuwing gekomen omdat betrokkene er blijk van had gegeven zich, althans waar het ging om de gedragingen die tot de berisping hebben geleid, weinig gelegen te laten liggen aan die normen.

Ondanks deze waarschuwing heeft betrokkene bij herhaling afspraken om op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen niet nageleefd en heeft hij zijn werk niet hervat nadat hij daartoe door deze arts weer in staat was geacht. De ziekmelding op 27 november 2006 op het moment dat hij zich bij zijn directeur moest melden is door de bedrijfsarts niet geaccepteerd. Van de juistheid van de zienswijze van deze arts dient te worden uitgegaan nu betrokkene op geen enkel moment om een deskundigenoordeel heeft verzocht om de zienswijze van de bedrijfsarts aan te vechten.

3.3. De Raad is op grond van de gedingstukken van oordeel dat betrokkene ook na zijn ziekmelding in september 2006 gedrag heeft laten zien dat getuigt van eigenzinnigheid en de neiging zijn eigen gang te gaan. Hij trok zich weinig aan van de regels waaraan hij zich bij ziekte had te houden en was niet van zins zijn werk te hervatten nadat de bedrijfsarts hem daartoe weer geschikt had geacht. Ook het stopzetten van zijn bezoldiging en het door appellant in het vooruitzicht stellen van vergaande disciplinaire maatregelen brachten hem niet tot verandering van houding en gedrag. Dat appellant hiertegen met voortvarendheid is opgetreden kan de Raad niet als onjuist of onredelijk beschouwen.

3.4. Vorenstaande overwegingen brengen de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep in eerste aanleg moet ongegrond worden verklaard.

4. Dit brengt met zich dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 11 maart 2008, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 februari 2007 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 11 maart 2008.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD