Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
05-5777 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Toekenning WAO-uitkering (15-25%). 2) Maatregel in de vorm van korting 20% ruim 8 maanden vanwege te late aanvraag. 3) Intrekking WAO-uitkering. 4) Hangende beroep, nieuw besluit op bezwaar, toekenning WAO-uitkering (25-35%) met handhaving maatregel. 3) De rechtbank heeft niet op het beroep tegen de met een besluit gelijk te stellen weigering te besluiten beslist. Vernietiging van de uitspraak in zoverre. Raad voorziet zelf. Bezwaar is te laat ingediend. Geen sprake van verchoonbare termijnoverschrijding. Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar. 1)+4) WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende rekening gehouden met beperkingen. Eerst in hoger beroep is een adequate arbeidskundige onderbouwing gegeven waarom de belasting in de voor appellant geselecteerde functies ondanks de signaleringen op het resultaat functiebeoordeling de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Vernietiging besluit met in standlating rechtsgevolgen. 2)+4) Maatregel. Er is sprake van verwijtbare nalatigheid. Echter verkeerde berekening van de duur van de maatregel. Handhaving in nieuwe besluit, is slechts herhaling van eerdere besluit en niet gericht op rechtsgevolg. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5777 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2005, 04/4288 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S. de Ploeg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brieven van 4 en 29 april 2008 alsmede 7 juli 2008 nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als assistent manager bij [naam bedrijf] in [vestigingsplaats]. In mei 2002 is hij uitgevallen met psychische klachten en heupklachten als gevolg van een hem overkomen ongeval. In juli 2002 heeft appellant zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Op 26 april 2003 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van een volledig re-integratieverslag. Op 15 oktober 2003 heeft appellant een nieuwe aanvraag ingediend. Na medisch en arbeidskundig onderzoek is hem bij besluit van 26 maart 2004 (besluit 1) per 13 mei 2003 een WAO-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Bij besluit van 27 maart 2004 (besluit 2) is aan appellant de maatregel van 20% korting op de uitkering over de periode 13 mei 2003 tot 25 januari 2004 opgelegd. Bij besluit van

29 maart 2004 (besluit 3) is de WAO-uitkering van appellant per 23 maart 2004 ingetrokken. Het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 is bij besluit van 29 juli 2004 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

2. Hangende het beroep in eerste aanleg heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 6 juli 2005 (bestreden besluit II) ingezonden, waarbij het bezwaar tegen besluit 1 gegrond is verklaard, de arbeidsongeschiktheidsklasse nader is vastgesteld op 25 tot 35%, en het bezwaar tegen besluit 2 wederom ongegrond is verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaard voor zover dit besluit betrekking heeft op het besluit van 26 maart 2004, dat besluit in zoverre vernietigd en bepalingen gegeven ten aanzien van vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1.1. Appellant heeft gesteld dat hij ook bezwaar heeft gemaakt tegen de herbeoordeling die heeft geleid tot besluit 3 en dat de rechtbank zich daarover ten onrechte niet heeft uitgelaten.

4.1.2. De Raad stelt vast dat appellant in het beroepschrift in eerste aanleg heeft aangevoerd dat hij ook bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 3 en dat het Uwv daarop ten onrechte niet heeft beslist. Naar het oordeel van de Raad dient deze beroepsgrond te worden opgevat als een beroep tegen een weigering te besluiten als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.1.3. Naar de Raad is gebleken wordt in de gedingstukken van de procedure in eerste aanleg geen verdere melding gemaakt van deze beroepsgrond. Voorts blijkt uit het procesverbaal van de zitting bij de rechtbank dat dit aspect daar niet aan de orde is geweest. Ook in de aangevallen uitspraak is hierover geen overweging opgenomen. De conclusie is dan ook dat de rechtbank niet op het beroep tegen de met een besluit gelijk te stellen weigering te besluiten heeft beslist. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd evenals bestreden besluit II voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen besluit 3. De Raad ziet aanleiding de zaak zelf af te doen.

4.1.4. Uit het bezwaarschrift van 27 april 2004 blijkt dat de gemachtigde van appellant heeft aangegeven dat bezwaar wordt gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. Uit het aanvullend bezwaarschrift van 14 juni 2004 is op te maken dat ook bezwaar wordt gemaakt tegen de herbeoordeling. Appellant heeft dit desgevraagd op de hoorzitting bevestigd.

4.1.5. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:9 van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.1.6. De Raad stelt vast dat appellant met het bezwaarschrift van 27 april 2004 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten 1 en 2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen besluit 3 eindigde op 10 mei 2004. Nu pas bij het aanvullend bezwaarschrift van 14 juni 2004 bezwaar is gemaakt tegen besluit 3, is het bezwaar te laat ingediend. De Raad ziet geen reden de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. In dat verband merkt de Raad op dat noch de gemachtigde van appellant noch appellant zelf enige reden heeft gegeven waarom in het bezwaarschrift van 27 april 2004 niet tevens bezwaar is gemaakt tegen besluit 3. De conclusie is dan ook dat het bezwaar tegen besluit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.2. De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond heeft verklaard. De Raad kan de rechtbank daarin in zoverre niet volgen, dat bestreden besluit II voor zover dit betrekking heeft op het bezwaar tegen besluit 2 een herhaling is van bestreden besluit I en derhalve niet is gericht op rechtsgevolg. De rechtbank had het beroep dan ook mede gericht moeten achten tegen bestreden besluit II voor zover het Uwv daarbij een ander standpunt heeft ingenomen over de hoogte van de WAO-uitkering van appellant. Ook in zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

4.3. De WAO-uitkering

4.3.1. De Raad is van oordeel dat bestreden besluit II voor zover dit besluit betrekking heeft op het bezwaar tegen de toekenning van de WAO-uitkering berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft hem gezien op de hoorzitting en beschikte over informatie van de behandelende sector.

4.3.2. De Raad ziet in de medische gedingstukken en hetgeen namens appellant is aangevoerd onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de voor appellant aangenomen beperkingen. Weliswaar had appellant bij het einde van de wachttijd nog psychische en fysieke klachten, maar daarmee heeft de (bezwaar)verzekeringsarts blijkens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) rekening gehouden.

4.3.3. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit II overweegt de Raad dat het Uwv uiteindelijk in hoger beroep adequaat heeft toegelicht waarom de belasting in de voor appellant geselecteerde functies ondanks de signaleringen op het resultaat functiebeoordeling de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Nu die toelichting pas in hoger beroep is gekomen, ziet de Raad aanleiding bestreden besluit II te vernietigen, maar tevens te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit II voor zover betrekking hebbend op de toekenning van de WAO-uitkering per

13 mei 2003 in stand blijven.

5. De maatregel

5.1. Niet in geding is dat appellant de aanvraag van de WAO-uitkering te laat heeft ingediend en dat hij daarmee het bepaalde in artikel 34 van de WAO heeft geschonden. De Raad is van oordeel dat deze nalatigheid appellant kan worden verweten, want hij is zelf ervoor verantwoordelijk dat de aanvraag tijdig en volledig wordt ingediend.

5.2. Gelet op de Toelichting bij het Maatregelenbesluit UWV is het tijdig en volledig indienen van de aanvraag een verplichting van de eerste categorie 1°. Ingevolge artikel 3 van het Maatregelenbesluit Uwv wordt bij een termijnoverschrijding van meer dan 112 kalenderdagen een korting van 20% over de te late termijn toegepast. Naar blijkt uit bestreden besluit I is het Uwv bij de berekening van de duur van de maatregel uitgegaan van een termijnoverschrijding van 257 dagen. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv erkend dat dit niet juist is en dat de termijn met 244 dagen is overschreden.

5.3. Hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat bestreden besluit I ook voor zover het betreft de opgelegde maatregel niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad bestreden besluit I geheel vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit 2 te nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten I en II gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit II voor zover dat besluit betrekking heeft op het bezwaar tegen het besluit van 26 maart 2004 geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2004;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2004 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op

3 juni 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn

CVG