Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
08/769 AW + 08/770 AW + 08/771 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Gelet op de aard en de ernst van de aan appellant verweten gedragingen acht de Raad de opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig. Appellant is na het besluit van 24 april 2006, waarbij hem wegens ernstig plichtsverzuim per 1 mei 2006 voorwaardelijk strafontslag is verleend met een proeftijd van twee jaar, op 2 mei 2006 wederom niet op het werk verschenen. Hiermee heeft appellant zich wederom schuldig gemaakt aan voor de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 april 2006 relevant plichtsverzuim, zodat het college bevoegd was tot deze tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/769 AW

08/770 AW

08/771 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 december 2007, 07/108, 07/109 en 07/110 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, (hierna: college)

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Luursema, advocaat te Appingedam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A. Elgersma, advocaat te Groningen, en [d. V.], [B.] en mr. I.K. Linthout, allen werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 15 april 1993 werkzaam bij de Milieudienst van de gemeente Groningen. Laatstelijk was hij LM-chauffeur bij de afdeling [naam afdeling]. Bij besluit van 24 april 2006 heeft het college appellant per 1 mei 2006 voorwaardelijk strafontslag verleend op grond van artikel 8:13, in verbinding met artikel 16:1:2, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Groningen (hierna: ARG) wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant is verweten dat hij afspraken niet nakomt, dan wel te laat verschijnt op afspraken, te laat of niet op het werk verschijnt zonder vervolgens bereikbaar te zijn, niet bereikbaar is voor ziekteverzuimcontroles en weigert redelijke opdrachten van zijn leidinggevende uit te voeren. In het besluit van 24 april 2006 is bepaald dat appellant niet zal worden ontslagen indien hij zich gedurende 24 maanden, te rekenen vanaf 1 mei 2006, strikt houdt aan de regels en zich binnen deze termijn niet wederom schuldig maakt aan enige vorm van plichtsverzuim.

1.2. Bij besluit van 25 april 2006 heeft het college op grond van artikel 3:1:1, vierde lid, van de ARG de betaling van de bezoldiging van appellant met ingang van 25 april 2006 stopgezet. Reden hiervoor was de weigering van appellant om gevolg te geven aan de schriftelijke sommatie van 13 april 2006 om zijn werkzaamheden met onmiddellijke ingang te hervatten.

1.3. Bij besluit van 13 juli 2006 heeft het college de opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd en bepaald dat het ontslag onmiddellijk ingaat. Als motivering hiervoor is genoemd dat appellant zich bij voortduring schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, aangezien hij zijn werkweigering binnen de gestelde proeftijd onverkort heeft voortgezet.

1.4. Bij afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 9 januari 2007 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 24 april 2006, 25 april 2006 en 13 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Appellant meent echter dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij in het najaar van 2005 leed aan ernstige spanningsklachten, veroorzaakt door financiële en privé-problemen, en omdat de situatie op de werkplek onhoudbaar was als gevolg van zijn slechte relatie met zijn leidinggevende. Daarom meent appellant dat de maatregel van voorwaardelijk strafontslag onevenredig is en ten onrechte ten uitvoer is gelegd.

4. De Raad stelt vast dat in hoger beroep uitsluitend aan de orde is of het gepleegde plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend, of de in verband daarmee opgelegde straf niet onevenredig is te achten en of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag met ingang van 13 juli 2007. De Raad zal zich beperken tot deze punten van geschil.

4.1. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend in verband met spanningsklachten een verklaring van zijn huisarts, gedateerd 16 juli 2006, overgelegd. Hoewel in die verklaring het bestaan van spanningsklachten bij appellant wordt bevestigd ziet de Raad daarin onvoldoende grond voor de conclusie dat het plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Het enkele bestaan van spanningsklachten bij appellant brengt immers niet met zich dat appellant niet in staat kon worden geacht zich aan afspraken te houden, tijdig op het werk te verschijnen, gevolg te geven aan oproepen van de bedrijfsarts om op het spreekuur te komen, om bereikbaar te zijn en om redelijke opdrachten uit te voeren. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant in november 2005 arbeidsgeschikt is verklaard door de bedrijfsarts en in maart 2006 een aantal dagen heeft gewerkt.

4.2. De stelling van appellant dat de situatie op de werkvloer onhoudbaar was is door appellant geadstrueerd met een verwijzing naar een opmerking van het hoofd P&O van de Milieudienst tijdens de op 27 maart 2006 gehouden hoorzitting over het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf aan appellant. Appellant ziet er hierbij echter aan voorbij, dat het zijn eigen gedragingen waren die volgens dat hoofd hebben geleid tot de onhoudbare situatie.

4.3. De Raad komt op grond van hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen tot het oordeel dat het plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend. Het college was derhalve bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. Gelet op de aard en de ernst van de aan appellant verweten gedragingen acht de Raad de opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig.

4.4. De Raad dient eveneens te beoordelen of het besluit van het college om uitvoering te geven aan het ontslagbesluit de toetsing van de Raad kan doorstaan. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) merkt de Raad daarbij op dat bij toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voor-waardelijk strafontslag beoordeeld dient te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en dat er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een onevenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient derhalve te worden of het college de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij dusdoende in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

4.5. Appellant is na het besluit van 24 april 2006, waarbij hem wegens ernstig plichts-verzuim per 1 mei 2006 voorwaardelijk strafontslag is verleend met een proeftijd van twee jaar, op 2 mei 2006 wederom niet op het werk verschenen. Hiermee heeft appellant zich wederom schuldig gemaakt aan voor de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 april 2006 relevant plichtsverzuim, zodat het college bevoegd was tot deze tenuitvoerlegging. Niet gebleken is dat de gedraging op 2 mei 2006 niet verwijtbaar is. Hieruit volgt dat er geen grond is voor de conclusie dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD