Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
08-468 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat, gelet op de uitkomst van het MGO, appellant wegens een aandoening van de rechterknie blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst. Die uitkomst bevestigt de medische situatie van appellant sinds 1997, waardoor hij niet volledig operationeel inzetbaar - en dus dienstongeschikt - was. Voldoende re-integratiepogingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/468 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 december 2007, 06/3001, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 4 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Utrecht. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was in de rang van wachtmeester der eerste klasse bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) werkzaam als wachtmeester inwendige dienst bij de brigade [naam brigade] van de KMar. In deze functie was appellant in 1997 geplaatst omdat hij wegens knieklachten niet langer in de executieve dienst werkzaam kon zijn.

1.2. Op 21 oktober 2002 is appellant onderworpen aan een Militair Geneeskundig Onderzoek (hierna: MGO). Bij brief van 5 november 2002 is appellant meegedeeld dat hij bij het MGO blijvend ongeschikt is bevonden voor het verder vervullen van de militaire dienst. In aansluiting hierop is appellant bij brief van 25 november 2002 bericht dat de zogenoemde ontslagbeschermingstermijn van twee jaar op 5 november 2002 is aangevangen.

1.3. Vervolgens is van de kant van de KMar nagegaan of appellant kon re-integreren binnen de krijgsmacht. Dit heeft geen resultaat opgeleverd. Hierop is appellant blijkens een brief van 30 maart 2004 voor de re-integratie overgedragen aan een re-integratiebedrijf. In mei 2004 heeft dat bedrijf een arbeidsinpassingsplan opgesteld. In verband hiermee is vervolgens de ontslagbeschermingstermijn verlengd. In december 2004 is het re-integratietraject zonder resultaat afgesloten.

1.4. Bij besluit van 22 juni 2005 is appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) met ingang van 1 juli 2005 ontslag uit de militaire dienst verleend. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij het bestreden besluit van 23 februari 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover daarbij de ingangsdatum van het ontslag is gehandhaafd op 1 juli 2005, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het primaire besluit van 22 juni 2005 inzake de ingangsdatum van het ontslag herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat de ingangsdatum van het ontslag van appellant op 1 oktober 2005 dient te worden bepaald.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep in dat kader naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat, gelet op de uitkomst van het MGO, appellant wegens een aandoening van de rechterknie blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst. Die uitkomst bevestigt de medische situatie van appellant sinds 1997, waardoor hij niet volledig operationeel inzetbaar - en dus dienstongeschikt - was.

3.2. In hoger beroep heeft appellant zijn grieven herhaald dat het hoofd van de verzekeringsgeneeskundige dienst van de Koninklijke landmacht die het rapport van het MGO van een visum heeft voorzien, daartoe niet bevoegd was en dat ten onrechte niet een herhaald MGO is ingesteld. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.4 van de aangevallen uitspraak deze grieven terecht en op goede gronden afgewezen. De Raad sluit zich bij deze overweging aan. Hieraan voegt de Raad nog toe dat hij in de gedingstukken geen aanwijzingen heeft gevonden die de - toch vergaande - stelling van appellant zouden kunnen bevestigen dat de beslissing tot het instellen van het MGO in het teken stond van het voorop gezette doel om het ontslag van appellant te bewerkstelligen en dus op oneigenlijke gronden berust.

3.3. Nu appellant, zoals in rechtsoverweging 3.1 is vastgesteld, uit hoofde van een ziekte of gebrek dienstongeschikt is, was de staatssecretaris bevoegd appellant op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR ontslag te verlenen.

3.4. Appellant heeft ook in hoger beroep naar voren gebracht dat de staatssecretaris van deze bevoegdheid geen gebruik mag maken, omdat volstrekt onvoldoende activiteiten zijn verricht om appellant te re-integreren en zo doende in strijd met het geldende beleid en met artikel 94 van het AMAR is gehandeld.

3.5. De verplichting tot het doen van inspanningen voor re-integratie rust op de staatssecretaris krachtens het door hem gevoerde beleid, dat ten tijde hier van belang in het bijzonder was neergelegd in de beleidsaanwijzing inzake re-integratie van dienstongeschikte militairen als vervat in de nota van de staatssecretaris van 29 december 1999.

3.6. Anders dan appellant heeft betoogd mist artikel 94 van het AMAR in dit geval toepassing. Dit voorschrift regelt immers de verplichtingen van de commandant in geval van ziekte van een militair ambtenaar en appellant was in zijn functie van wachtmeester inwendige dienst niet ziek. Daarom ook is appellant in de loop van de periode van de ontslagbescherming niet bij het Uwv gemeld.

3.7. De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat na november 2002 van de kant van de KMar eerst is geprobeerd de militaire functie van appellant om te zetten in een burgerfunctie. Toen dit niet bleek te lukken, is appellant een burgerfunctie voorgehouden. Appellant heeft deze functie afgewezen wegens de salarishoogte en toegevoegd dat hij niet voor een burgerfunctie binnen de krijgsmacht in aanmerking wil komen. Vervolgens is het onder 1.3 genoemde re-integratiebedrijf ingeschakeld. Het door dit bedrijf ontwikkelde re-integratietraject is, volgens rapportage van 7 december 2004, beëindigd omdat appellant niet voor re-integratie naar een functie in de burgermaatschappij open stond.

De Raad leidt uit een en ander af dat de eerste re-integratiepogingen van de KMar weliswaar een beperkt karakter hebben gehad maar ook gezien de uiteindelijke houding van appellant niet als onvoldoende kunnen worden aangemerkt. De inschakeling van een re-integratiebedrijf strookt met het beleid en het ontwikkelde traject van dat bedrijf bood appellant de nodige kansen. Dat appellant ook hier onvoldoende actief was en in wezen niets anders voorstond dan terug te keren in zijn functie bij de interne dienst, is de staatssecretaris niet aan te rekenen.

3.8. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat niet gezegd kan worden dat de staatssecretaris niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid aan appellant ontslag te verlenen, gebruik heeft gemaakt.

4. Het hoger beroep slaag dus niet. De aangevallen uitspraak moet, voor zover zij is aangevochten, worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD