Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
08-5431 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Besluit tot verhoging van de uitkering in het kader van de 45-plusregeling is niet overeenkomstig de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen en kan niet bij dit geding worden betrokken. Het besluit heeft geen betrekking op de in geding zijnde datum. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv de fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding heeft onderschat. De Raad is van oordeel dat met de psychische beperkingen van appellante zoals weergegeven in de FML van 3 januari 2006 haar belastbaarheid op de in geding zijnde datum niet overschat wordt. Evenals de rechtbank hecht de Raad doorslaggevende betekenis aan het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5431 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 augustus 2008, 06/876 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 mei 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift en een nadere reactie van de bezwaarverzekeringsarts ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2009. Appellante is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich, eveneens met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kraamverzorgster. Op 15 juni 1998 heeft zij, na een eerdere verzuimperiode, dit werk moeten staken wegens rugklachten. In aansluiting op de wettelijke wachttijd heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Na herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2006 de WAO-uitkering van appellante per 26 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen voornoemd besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts een medische heroverweging verricht. Deze arts heeft gesteld dat de verzekeringsarts na dossierstudie, lichamelijk onderzoek en bestudering van aanvullende medische informatie een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat de vastgestelde beperkingen in de lijn met de onderzoeksbevindingen liggen. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat er in voldoende mate rekening is gehouden met de psychische kwetsbaarheid van appellante. Omdat er door de verzekeringsarts reeds zeer uitgebreide beperkingen zijn vastgesteld wordt de verminderde energetische belastbaarheid naar zijn mening volledig opgevangen en is een arbeidsduurvermindering niet aan de orde. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 3 januari 2006 te wijzigen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in een rapport van 28 juni 2006 alsnog rekening gehouden met de reductiefactor in verband met een van de maatgevende arbeid afwijkende werkweek in de geselecteerde functies.

1.4. Bij besluit van 29 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 27 januari 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 26 maart 2006 vastgesteld op 45 tot 55%.

2. In beroep heeft, op verzoek van de rechtbank, psychiater B.J. van Eyk, als onafhankelijke en onpartijdige deskundige, rapport uitgebracht over appellantes gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum 26 maart 2006. Van Eyk, kan zich, op basis van zijn onderzoek zoals weergegeven in zijn rapport van 18 mei 2008, verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Verder is hij van mening dat appellante vanuit psychiatrisch oogpunt in staat moet worden geacht een 40-urige werkweek te volbrengen. Omdat bij appellante niet de psychiatrische maar de somatische problematiek op de voorgrond staat, adviseert Van Eyk appellante te laten onderzoeken door een orthopeed.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij geen aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van Van Eyk of aan de zorgvuldigheid waarmee dit tot stand is gekomen. Daarbij heeft zij vastgesteld dat Van Eyk het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts grotendeels onderschrijft. Ook in de reactie van 10 juni 2008 van zenuwarts H.L.S.M. Busard op het rapport van Van Eyk heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan dat rapport. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er geen aanleiding is om een expertise te laten verrichten door een orthopeed. Zij heeft daartoe overwogen dat uit de medische stukken blijkt dat de klachten van appellante aan haar bewegingsapparaat in 2007 zijn verergerd en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze verergerde klachten reeds op de datum in geding aanwezig waren. Tot slot heeft de rechtbank geconcludeerd dat de door het Uwv opgestelde FML de beperkingen van appellante op 26 maart 2006 juist weergeeft en dat zij geen aanwijzingen heeft gevonden dat de voor appellante geduide functies haar belastbaarheid te boven zouden gaan.

3. In hoger beroep houdt appellante staande dat zij op grond van haar fysieke en psychische klachten meer beperkt was tot het verrichten van werkzaamheden dan het Uwv heeft aangenomen en dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft toegepast wegens verminderde energetische belastbaarheid. Daarbij heeft appellante opnieuw een beroep gedaan op het door haar in de beroepsfase ingebrachte rapport van zenuwarts Busard van 23 januari 2007. Ook heeft zij een reactie van zenuwarts Busard van 13 februari 2007 op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 5 februari 2007 en de in 2.1 vermelde reactie van 10 juni 2008 van Busard op het rapport van de deskundige Van Eyk ingezonden.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het door het Uwv ambtshalve genomen besluit van 21 november 2007, waarbij in het kader van de zogenoemde 45-plusregeling de WAO-uitkering van appellante per 22 februari 2007 is verhoogd naar een arbeidsongeschikt-heidspercentage van 80 tot 100%, niet overeenkomstig de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij dit geding kan worden betrokken. De Raad overweegt hiertoe dat het besluit van 21 november 2007, dat geen betrekking heeft op de in geding zijnde datum van 26 maart 2006, niet voldoende samenhang vertoont met het bestreden besluit.

4.2. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv de fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding heeft onderschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts op basis van dossierstudie, lichamelijk onderzoek en bestudering van de door appellante ingebrachte medische gegevens, de door appellante naar voren gebrachte claimklachten van hypermobiliteit, herniaproblematiek, bekkeninstabiliteit en nekklachten, heeft onderkend en een fors aantal beperkingen in de diverse rubrieken van de FML heeft aangenomen. Dat de bezwaarverzekeringsarts, ook in het licht van de door appellante in bezwaar verstrekte medische informatie, de reeds in aanmerking genomen beperkingen toereikend heeft geacht en daarin evenmin reden heeft gezien om een urenbeperking voor appellante aan te nemen, kan de Raad niet voor onjuist houden. Daarbij acht de Raad van belang dat ook deskundige Van Eyk heeft gesteld dat appellante op de datum in geding in staat moet worden geacht een 40-urige werkweek te volbrengen. Om reden dat de belastbaarheid van appellante in de loop van de tijd kan toe- dan wel afnemen, doet de omstandigheid dat de verzekeringsartsen bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon op

29 april 1999 een urenbeperking van 4 uur per dag en in de FML van 16 november 2007 een urenbeperking tot gemiddeld ongeveer 2 uur per dag hebben aangenomen, aan het voorgaande niet af.

4.3. Onder verwijzing naar en onderschrijving van het standpunt van de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat met de psychische beperkingen van appellante zoals weergegeven in de FML van 3 januari 2006 haar belastbaarheid op de in geding zijnde datum niet overschat wordt. Evenals de rechtbank hecht de Raad doorslaggevende betekenis aan het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

4.4. Voorts is naar het oordeel van de Raad in de arbeidskundige rapportages voldoende overtuigend gemotiveerd dat de belasting van de geduide functies in het licht van appellantes functionele mogelijkheden haar belastbaarheid niet te boven gaat.

5. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.V. Benza.

MH