Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
07-1197WAZ+07-1198WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAZ-uitkering, wegens anticumulatie is uitkering niet uitbetaald. Het Uwv is terecht overgegaan tot een volledige heroverweging na de vernietiging van het eerdere genomen besluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake is van een gewijzigd uitgangspunt voor de medische en arbeidskundige beoordeling, namelijk een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Zorgvuldig medisch onderzoek. Juistheid beperkingen. Geen medische urenreductie. Maatmaninkomen juist vastgesteld. Feitelijk uitbetaald salaris vormt geen juiste afspiegeling van de verdiensten van de aan deze dga soortgelijke persoon. Terecht afgeweken van fiscale keuze appellant. Overschrijding redelijke termijn. Immateriële schade vastgesteld op een bedrag € 4.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1197 WAZ, 07/1198 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2007, 05/4227 en 06/972 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.L.M. van Buren, werkzaam bij Van Buren Arbeidsrechtelijke Adviseurs te Schijndel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Buren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.J.T. Heijmans.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2. Bij besluit op bezwaar van 26 oktober 2005 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv aan appellant met ingang van 31 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 8 februari 2006 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd om met toepassing van artikel 58 van de WAZ de WAZ-uitkering over het jaar 2000 niet aan appellant betaalbaar te stellen.

3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt allereerst dat ter uitvoering van een eerdere uitspraak van de rechtbank terecht een gehele heroverweging zoals voorgeschreven in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden. Het Uwv kon naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met een beperkte heroverweging, daar als gevolg van de uitspraak van de rechtbank sprake was van een gewijzigd uitgangspunt voor de medische en arbeidskundige beoordeling, namelijk een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

3.2. De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek en dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat, waarbij rekening is gehouden met de progressieve perceptieve doofheid van appellant, een tinnitus van het rechteroor en een geringe Menière. Deze beperkingen zijn door de bezwaarverzekeringsarts omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd waarom in het geval van appellant geen aanleiding is voor een medische urenreductie.

3.3. Ten aanzien van het door het Uwv gehanteerde maatmaninkomen overweegt de rechtbank, kort samengevat, dat het Uwv terecht aansluiting heeft gezocht bij het salarisniveau van functies op eenzelfde niveau als dat waarop appellant werkzaam is, in casu dat van een fiscaal specialist. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het Uwv dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd en waarmee hij een verdiencapaciteit kan realiseren die een mate van arbeidsongeschiktheid oplevert van 32,86 %. Daaruit volgt dat het Uwv de bij appellant per 31 mei 2000 bestaande mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft bepaald op 25 tot 35%. Voor het bestreden besluit 2 houdt dit in dat het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden heeft besloten over de periode van 31 mei 2000 tot en met 31 december 2000 geen WAZ-uitkering uit te betalen.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep heeft aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht is overgegaan tot een volledige heroverweging op het bezwaar van appellant na de vernietiging van het besluit op bezwaar van 16 maart 2001 door de rechtbank bij uitspraak van 8 september 2003. Er was immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, als gevolg van de uitspraak van de rechtbank sprake van een gewijzigd uitgangspunt voor de medische en arbeidskundige beoordeling, namelijk een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

4.3. Voor zover appellant heeft bedoeld aan te voeren dat gelet op zijn klachten een indicatie voor het aannemen van een urenbeperking aanwezig was, verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 14 december 2005, waarin deze toelicht waarom appellant niet voldoet aan de criteria voor het stellen van een urenbeperking. Appellant heeft zijn stelling niet met medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het oordeel van de rechtbank dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat voor onjuist te houden.

4.4. Met betrekking tot de hoogte van het maatmaninkomen dat aan de schatting ten grondslag ligt, stelt appellant zich op het standpunt dat het Uwv uit dient te gaan van het volgens de vennootschapsgegevens feitelijk aan hem betaalde salaris in 1999 ad f 150.000,- plus f 19.400,- bijtelling van privé gebruik auto, in totaal f 169.400,-, dan wel van de arbeidswaarde ad f 157.800,- plus bijtelling privé gebruik auto, onder aftrek van f 24.000,- aan kosten, in totaal f 153.200,-.

4.5. De Raad overweegt dat volgens zijn vaste jurisprudentie voor de vaststelling van het maatgevend inkomen van een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) van een vennootschap in beginsel dient te worden uitgegaan van wat die dga in die vennootschap verdiende op het tijdstip van aanvang van arbeidsongeschiktheid, tenzij moet worden gezegd dat die inkomsten geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan deze dga soortgelijke persoon (zie de uitspraak van de Raad van 11 november 2005, LJN AU6937).

4.6. Appellant was sedert 1996 werkzaam als consultant/dga van een vennootschap. Volgens zijn eigen opgave werkte hij 40 uur per week. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is 1 juni 1999. Na de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid was hij nog gedurende circa 10 uur per week werkzaam.

4.7. Bij de beoordeling van het maatmaninkomen achtte de bezwaararbeidsdeskundige het niet reëel uit te gaan van het salaris dat appellant zich in 1999 heeft toegekend ad f 150.000,-, onder meer omdat het bedrijfsresultaat over 1999 een dergelijke beloning niet toelaat. Vanaf 1997 is jaarlijks sprake van een negatief bedrijfsresultaat, waaruit de bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat de toegekende beloningen in die jaren niet gedragen konden worden door het bedrijf. Bij een daling van de omzet in het eerste halfjaar 1999 ten opzichte van het eerste halfjaar 1998 van circa 15% past geen aanpassing van het salaris van f 58.800,- in 1998 naar f 150.000,- in 1999.

4.8. Het Uwv stelt zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt dat een bedrag aan loon van f 150.000,- onder de geschetste omstandigheden geen reële afspiegeling vormt van de verdiensten van een aan appellant soortgelijke persoon. In de onder 4.5 vermelde uitspraak is in de situatie van een dga van een bedrijf dat van meet af aan verlies heeft geleden, het maatmanloon van de dga, in afwijking van zijn eigen opgave, gesteld op het wettelijk minimumloon. In de onderhavige zaak heeft het Uwv appellant naar het oordeel van de Raad niet tekort gedaan door aansluiting te zoeken bij een soortgelijke persoon in de vorm van een fiscaal specialist/tax assistant in loondienst plus een toeslag van 15%, verhoogd met de fiscale bijtelling van de auto, in totaal f 84.302,40, ook al heeft appellant wellicht op een hoger niveau gefunctioneerd dan de bedoelde fiscaal specialist. Evenmin is appellant tekort gedaan doordat de bezwaararbeidsdeskundige bij de berekening van het uurloon is uitgegaan van een werkweek van gemiddeld 35 uur per week. De Raad acht het in deze omstandigheden ook gerechtvaardigd dat is afgeweken van de fiscale keuze van appellant.

4.9. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het Uwv bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen.

4.10. Uit hetgeen onder 4.7 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat de Raad zich, wat betreft de inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1, kan verenigen met het oordeel van de rechtbank. Bestreden besluit 2 berust op dezelfde feitelijke grondslag als bestreden besluit 1. Appellant heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2. Ook met het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2 kan de Raad zich verenigen.

5.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), uitsluitend in de bestuurlijke fase.

5.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) naar voren komt.

5.3. De Raad acht in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.5. In de zaak 07/1197 WAZ is voorts van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

5.6. Voor de zaak 07/1197 WAZ betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 23 november 2000 van het eerste bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en ongeveer zes maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 26 april 2001 tot de uitspraak op 8 september 2003 twee jaar en ruim vier maanden heeft geduurd. Dit is een overschrijding van de behandelingsduur van tien maanden. Nu voor deze overschrijding geen rechtvaardiging kan worden gevonden, moet deze niet voor rekening van het Uwv komen. De hernieuwde rechterlijke behandeling is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 6 december 2005 en eindigt met deze uitspraak van de Raad. De behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen heeft in deze ronde derhalve minder dan drie en een half jaar geduurd, zodat van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase geen sprake is. Uit het voorgaande volgt dat de aan het Uwv toe te rekenen periode van de overschrijding drie jaar en acht maanden bedraagt. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van acht maal € 500,-, dat is € 4.000,-.

5.7. In de zaak 07/1198 WAZ zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 5 januari 2006 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak minder dan vier jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak niet is geschonden.

5.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van 26 oktober 2005 - het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 26 oktober 2005 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit in stand zal laten en het Uwv zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 4.000,-. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover betrekking hebbend op het besluit van 8 februari 2006.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van 26 oktober 2005;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 oktober 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van 8 februari 2006;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 4.000,-;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 180,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ