Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BI8383

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
07-5397 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koppelingswet. Geen uitzonderingssituatie. Intrekking en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5397 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2007, 06/4810 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2009. Appellante is, zoals te voren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 18 februari 1997, aangevuld op 10 maart 1997, heeft appellante, van Zaïrese nationaliteit, een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 23 december 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 19 augustus 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, heeft bij uitspraak van 30 augustus 2004 het beroep van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich bij uitspraak van 17 november 2004 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het hoger beroep van eiseres tegen de rechtbankuitspraak van 30 augustus 2004.

1.3. Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau dat bepaalde brondocumenten zouden ontbreken is administratief onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is onder meer informatie ingewonnen bij en verkregen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Deze informatie is voor het College reden geweest om bij besluit van 14 juli 2005 de bijstand van appellante met ingang van 9 mei 2005 in te trekken. Bij besluit van dezelfde datum heeft het College voorts de kosten van bijstand over de periode van 9 mei 2005 tot en met 31 mei 2005 tot een bedrag van € 770,54 van appellante teruggevorderd.

1.4 Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 14 juli 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 9 mei 2005 tot en met 14 juli 2005.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB dan wel het derde lid van dit artikel in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit). Dit betekent dat appellante in de in geding zijnde periode op grond van de relevante Nederlandse rechtsregels geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de WWB.

4.3. In zijn ook door appellante genoemde uitspraken van 26 juni 2001 (LJN AB2276 en AB2324) heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) onder meer tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 8, aanhef en onder f, g en h, van de Vreemdelingenwet 2000(Vw2000). Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten. Voorts heeft de Raad geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals die gestalte heeft gekregen in onder meer de Algemene bijstandswet (Abw), in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt. Een uitzondering is gemaakt voor degenen aan wie al vóór 1 juli 1998 toestemming was verleend hun procedure hier te lande af te wachten en die met toepassing van artikel 12 (oud) Abw bijstand ontvingen.

4.4. Appellante betoogt - en daartoe is haar hoger beroep beperkt - dat deze uitzonderingssituatie zich in haar geval voordoet. Hieraan legt zij ten grondslag dat haar aanvraag om een verblijfsvergunning van 18 februari 1997, althans de aanvulling daarop van 10 maart 1997, tevens is te beschouwen als een asielaanvraag, dat daarop thans nog steeds niet onherroepelijk is beslist en dat, nu zij op die datum al bijstand genoot en deze datum is gelegen vóór de inwerkingtreding van de Koppelingswet, het in strijd zou zijn met artikel 26 van het IVPBR om haar bijstand in te trekken.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van een nog lopende asielaanvraag geen sprake is. Hierbij acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat de aanvraag om een verblijfsvergunning van 18 februari 1997 - gelet ook op de daarin genoemde doelen van het verblijf in Nederland - onmiskenbaar als een reguliere aanvraag is ingediend en reeds om die reden niet mede als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de op 10 maart 1997 ingediende aanvulling op de aanvraag. Dat appellant daarbij ook naar voren heeft gebracht dat zij in haar land van herkomst seksueel is misbruikt - een gegeven dat onder omstandigheden asiel zou kunnen rechtvaardigen - doet aan het reguliere karakter van de aanvraag niet af. Op die reguliere aanvraag is afwijzend beslist bij het besluit van 23 december 1997, welk besluit uiteindelijk met de uitspraak van de ABRS van 17 november 2004 onherroepelijk is geworden. Hiermee staat tevens vast dat appellante geen vreemdelingrechtelijke procedure meer heeft lopen die is aangevangen met een aanvraag van vóór 1 juli 1998. Dat appellante in 2005 bezwaar heeft gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een - volgens haar - op 18 februari 1997 ingediende asielaanvraag, maakt dit niet anders.

4.6. Aan de omstandigheid dat appellante in 2002 nog een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier heeft ingediend en dat zij het bezwaar tegen de afwijzende beslissing op deze nieuwe aanvraag in Nederland mag afwachten, komt geen betekenis toe. Die aanvraag is immers ingediend na 1 juli 1998, zodat de gerechtvaardigdheid van de Koppelingswet ten volle voor appellante opgaat.

4.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de intrekking van bijstand per 9 mei 2005 niet in strijd is met artikel 26 van het IVBPR. Het College was dan ook bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 9 mei 2005 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van 9 mei 2005 tot en met 31 mei 2005 van appellante terug te vorderen. Het College heeft hierbij gehandeld in overeenstemming met zijn terzake van intrekking en terugvordering gehanteerde beleid. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering had moeten afzien.

4.8. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A. Badermann.

NK